Tweede bodemconvenant van start

Het eerste bodemconvenant heeft het onderwerp bodem en ondergrond op de politieke agenda gehouden. Overheden vonden elkaar in de aanpak van onder meer bodemvervuiling. Het tweede bodemconvenant vraagt bestuurders én bedrijfsleven om er nog een schepje bovenop te doen bij het integraal kijken naar het bodemdossier. ‘We hebben nieuwe vormen van samenwerken nodig.’

Portretfoto Gerd de Kruif, voormalig programmadirecteur Uitvoeringsprogramma Bodemconvenant
Voormalig programmadirecteur Gerd de Kruif

Focus op bodem

In zekere zin pionierswerk. Zo kijkt voormalig programmadirecteur Gerd de Kruif terug op het eerste bodemconvenant en het daarbij behorende Uitvoeringsprogramma. 5 jaar geleden stond het onderwerp ‘bodem’ volgens hem niet hoog op de politieke agenda. Het bodemconvenant was nodig om `focus op de bodem en ondergrond te houden’. ‘Samenwerking tussen overheden op dit dossier was geen vanzelfsprekendheid.’


5 jaar later is de situatie veranderd. Het Uitvoeringsprogramma heeft convenantspartijen en bevoegde gezagen met elkaar verbonden, zo concludeerde de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur eind vorig jaar. Er is sprake van meer samenwerking, uitwisseling en samenhang in de bodemsector. Overheden beseffen dat zij voor een grote opgave staan, die zij gezamenlijk moeten oppakken, aldus het rapport.

`Het besef van `hier wordt aan het goede gewerkt’ is in de loop der jaren gegroeid’

Gevoeld als eigen programma

Omdat de convenantspartijen elkaar gedurende de convenantsperiode steeds beter vonden, zijn de doelstellingen van het eerste bodemconvenant grotendeels gehaald. De spoedlocaties die gevaarlijk waren voor de volksgezondheid, zijn aangepakt, dat wil zeggen: gesaneerd of beheersbaar gemaakt. Overige locaties met ernstige verontreinigingen en risico’s voor verspreiding en ecologie zijn geïnventariseerd. Er is bovendien een begin gemaakt met de beleidstransitie waarin meer op een integrale manier naar de bodem wordt gekeken: niet alleen de verontreinigingen staan hierin centraal, maar alle ontwikkelingen die in de Nederlandse ondergrond plaatsvinden, en de mogelijkheden die de ondergrond biedt om op een verantwoorde manier ontwikkelingen mogelijk te maken.


Volgens De Kruif zijn er meerdere redenen waarom het eerste Uitvoeringsprogramma goed heeft gewerkt. ‘De budgetten liepen via de overheden. Daardoor werd op alle niveaus het convenant echt als een eigen programma gevoeld. Vanuit het programma is ook steeds benadrukt dat wij voor de overheden werkten. We hebben geïnvesteerd in de relatie door het land in te gaan en te vragen waar zij behoefte aan hadden. En ja, uiteindelijk valt of staat een programma natuurlijk met de onderlinge relatie tussen convenantspartijen. Het besef van `hier wordt aan het goede gewerkt’, is in de loop der jaren gegroeid. Wat ook mooi was: we hebben in het kader van het bodemconvenant bestuurders informeel bij elkaar laten komen en hen ’s avonds met de benen op tafel laten nadenken over waar het heen moet met het bodembeleid. Dat heeft geleid tot een bestuurdersagenda ondergrond die mede aanleiding geweest is voor het opstellen van de Structuurvisie Ondergrond. Daar ben ik best trots op.’

Portretfoto Corné Nijburg, directeur Uitvoeringsprogramma convenant Bodem & Ondergrond
Corné Nijburg, directeur Uitvoeringsprogramma convenant Bodem & Ondergrond

Integraal denken nodig

In maart 2015 werd een tweede bodemconvenant getekend. Een paar maanden later volgde een convenant met het bedrijfsleven. Met het nieuwe Uitvoeringsprogramma kwam ook een nieuwe directeur. Net als zijn voorganger wil Corné Nijburg de samenwerking tussen convenantspartijen stimuleren. Hij komt `uit het waterdossier’ en ziet veel parallellen met zijn nieuwe vakgebied. ‘De vraagstukken worden steeds complexer en je kunt het als partij niet alleen. Je moet de samenwerking zoeken tussen Rijk, decentrale overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen.’


In het tweede bodemconvenant verschuift de aandacht van saneren naar beheren en gebiedsontwikkeling. Opnieuw worden vervuilde bodemlocaties aangepakt. Het gaat om nog 1.500 locaties waar sprake is van bedreiging voor het grondwater, en zo’n 200.000 locaties waar mogelijk sprake is van minder ernstige bodemverontreiniging. Maar vooral de beleidstransitie waarmee in het eerste bodemconvenant een begin is gemaakt, moet een vervolg krijgen in het nieuwe Uitvoeringsprogramma. Een integrale aanpak van bodemzaken in de regio is nodig, weet Nijburg. Al was het alleen maar omdat tijdens de convenantsperiode een begin moet worden gemaakt met de uitvoering van de Structuurvisie Ondergrond. Daarnaast vergt ook de komst van de Omgevingswet een meer integrale benadering van de ruimtelijke ordening. Nijburg: ‘We kunnen niet meer slechts naar een deel van de ondergrond kijken. De bodem heeft een relatie met het grondwater dat in contact staat met het oppervlaktewater, dat op zijn beurt wordt beïnvloed door bovengrondse activiteiten. Die verbanden moeten overheden en bedrijfsleven de komende periode met elkaar leggen. De bodem wordt steeds intensiever gebruikt, zo blijkt uit de Structuurvisie Ondergrond. Warmte-koudeopslag, natuurlijke bodemdaling, grondwaterstandverlaging, de aanleg van ondergrondse infrastructuur, dat zijn zaken die op elkaar ingrijpen en om een veel integralere manier van kijken vragen, en om een visie op de lange termijn.’


Overheden zijn zich volgens Nijburg voldoende bewust van de noodzaak tot beleidstransitie. ‘Ze zijn alleen nog niet altijd machtig om de integrale besluiten te nemen, want de transitie is erg complex en vraagt tijd. Het is nog maar kort dat we zo integraal nadenken over ondergrond als onderdeel van gebiedsontwikkeling, waardoor het ons aan kennis en inzicht ontbreekt. We hebben nieuwe vormen van samenwerken nodig. Op zich niet vreemd: het vraagt nogal wat van overheden om over het eigenbelang heen te stappen en te investeren in zaken die een groter maatschappelijk doel dienen. Die slag moeten we de komende jaren wel maken.’

'Het vraagt nogal wat van overheden om over het eigenbelang heen te stappen'

Sanering even uitstellen?

Een voorbeeld van integraal denken is gebiedsgericht grondwaterbeheer, een van de projecten binnen het tweede convenant. Op dit terrein zullen betrokken partijen moeten zoeken hoe zij afspraken kunnen maken. Nijburg: ‘Ik hoop dat we over 5 jaar hiervoor een verstandige manier van samenwerken hebben gevonden. Dat we werken vanuit een maatschappelijk belang en niet vasthouden aan eigen regeltjes. Niemand weet nu cijfermatig te duiden wat verstandig opereren in de ondergrond betekent. De komende periode moeten we hiervan concrete voorbeelden realiseren.’


Dezelfde zoektocht geldt voor de aanpak van de bodem en ondergrond van bedrijfsterreinen. Nijburg: ‘De kunst daarbij is om te bepalen waar maatschappelijk gezien de belangrijkste winst te behalen is. Kunnen we slimme combinaties leggen waarmee we voorkomen dat er vervuiling optreedt? Hoe kunnen we de vervuiling effectief aanpakken of beheren? Kan het vanuit gemeenschappelijk oogpunt kwaad om een sanering even uit te stellen als dat bedrijfseconomisch gezien handiger is? Overheden en bedrijfsleven moeten meer in samenspraak bepalen wat het beste moment is om in te grijpen.’

Convenant overbodig maken

Terwijl De Kruif aan het begin stond van de samenwerking in het bodemdomein, heeft Nijburg de opdracht om het convenant als instrument overbodig te maken. Nijburg: ‘De decentrale overheden willen meer eigenaar worden van alle onderwerpen in het convenant. Zij hebben gezegd dat zij niet elke keer een convenant willen afsluiten. ‘Bodem’ moet onderdeel worden van hun normale taakopvatting. Bovendien moet de samenwerking tussen overheden en het bedrijfsleven geen stimulans meer nodig hebben. Ook dat is een belangrijke opgave in de komende periode.’


Voor De Kruif was de start van het tweede bodemconvenant `een natuurlijk moment om iets anders te doen’. Hij is inmiddels programma-manager van de invoeringsbegeleiding Omgevingswet. Opnieuw een programma waarin Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samenwerken. Opnieuw, in zekere zin, pionierswerk.