Hoe ziet de fysieke leefomgeving van de toekomst eruit?

Overal in Nederland wordt gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie, een integrale kijk op hoe de fysieke leefomgeving van de toekomst eruit moet zien. Het gaat om meer dan alleen een document; de visie kan het startpunt zijn van een nieuwe manier van besturen in Nederland.

Van sectoraal naar integraal

Elke dinsdagmiddag tussen twaalf en twee uur komen 35 mensen bij elkaar op het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). Het is een gemengde groep: vertegenwoordigers van verschillende departementen en decentrale overheden. Met een broodje erbij bespreken zij niets minder dan de fysieke leefomgeving van Nederland rond 2050. Op de agenda: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

Volgens de Omgevingswet is het Rijk verplicht om een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) te maken. Hierin moeten de belangrijkste plannen en ambities staan voor de inrichting van Nederland op de lange termijn. De NOVI vervangt zo’n 80 bestaande sectorale visies en beleidsplannen van het Rijk voor de fysieke leefomgeving, zoals het Milieubeleidsplan, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Verkeer- en Vervoerplan en het Natuurbeleidsplan. De Omgevingswet stelt als ambitie dat de NOVI geen optelsom is van beleidsvisies; het Rijk moet een integrale visie hebben op verschillende terreinen van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur, milieu, water, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. De NOVI moet bovendien ingaan op de rollen die de verschillende overheden hebben bij de realisatie van de visie.

‘De focus ligt op de grote transitieopdrachten waarvoor Nederland staat’

Focus op de grote transitieopdrachten

Vandaar dat het ministerie van IenM cocreatie belangrijk vindt. De 35 mensen die wekelijks in Den Haag bij elkaar komen, werken samen in het programmateam NOVI. Daarnaast organiseert het programma overal in Nederland edities van `Werkplaats NOVI’. Hier praten Rijk, decentrale overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, bedrijfsleven en burgers over de ontwikkelingen, opgaven en ambities voor de fysieke leefomgeving. ‘De NOVI moet niet alleen iets zijn van Den Haag, maar ontstaan in samenwerking met de samenleving. Dan pas krijgt de visie echt betekenis’, zegt Hanna Lára Pálsdóttir, plaatsvervangend programmaleider Nationale Omgevingsvisie.


In het programmateam en de werkplaatsen wordt op dit moment vooral gesproken over de Nationale Omgevingsagenda (NOA), de eerste tussenstop op weg naar de NOVI. ‘Faseren is belangrijk’, zegt Pálsdóttir. ‘Met de agenda bepalen we eerst de reikwijdte van de NOVI. We willen ons focussen op de grote transitieopdrachten waarvoor Nederland staat. Hoe zorgen we ervoor dat energiehuishouding in 2050 100% duurzaam is? Hoe gaan we om met de productie van voedsel? Hoe brengen we landbouw, natuur en landschap meer in balans met elkaar? Hoe gaan we om met bodemschatten en hoe benutten we afval als grondstof? Hoe maken we integrale afwegingen voor deze omgevingsthema’s? Wanneer wij de belangrijkste thema’s, opgaven, trends en ontwikkelingen hebben bepaald, zullen we in een volgende fase bekijken welke strategieën er mogelijk zijn. De NOVI geeft uiteindelijk aan welke strategieën de voorkeur hebben.’


De NOA moet in juni van dit jaar klaar zijn. Volgens planning wordt de NOA op 22 juni van dit jaar vastgesteld door de Ministeriële Commissie Omgevingsrecht. Vervolgens gaat de agenda naar de Tweede Kamer.

Mensen aan het werk op de Nationale Omgevingsvisie werkplaats
Nationale Omgevingsvisie werkplaats

Samen schrijven is vernieuwend

David de Jong, strategisch adviseur bij de provincie Overijssel en lid van het programmateam, vindt de aanpak van de NOVI innovatief. ‘We hebben in Nederland toch de geschiedenis dat elke bestuurslaag zijn eigen ‘visietje’ maakt. Samen schrijven is vernieuwend.’ Dat is volgens hem meteen ook de meerwaarde van de NOVI. De Jong: ‘Het laat zien voor welke grote transitieopdrachten we staan, en dat samenwerken noodzakelijk is. Een vraagstuk als energietransitie is van nationaal belang, maar heeft ook altijd een regionale component. Daar moet het Rijk rekening mee houden. Sterker nog: de NOVI moet inspireren en andere partijen mobiliseren die in de dezelfde fysieke leefomgeving aan het werk zijn, bijvoorbeeld door ruimte te bieden aan decentrale overheden om een eigen invulling aan de opgaven te geven.’

De NOVI en de manier waarop deze tot stand komt, sluiten volgens Pálsdóttir aan bij de veranderende rol van het Rijk: minder sturend, meer faciliterend. ‘Met de samenwerking met andere overheden is al ervaring opgedaan bij het opstellen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Hierdoor zijn al veel taken belegd bij de decentrale overheden. Dat willen we ook bereiken met de NOVI: decentrale overheden moeten veel meer zeggenschap krijgen over hun fysieke leefomgeving.’

Portretfoto André van Lammeren, directeur Bereikbaarheid en Infrastructuur Rijkswaterstaat
André van Lammeren, directeur Bereikbaarheid en Infrastructuur Rijkswaterstaat

‘Het Rijk mag de visie niet teveel naar zichzelf toe trekken’

Nieuwe manier van besturen

Dat het Rijk de omgeving uitnodigt om mee te praten over de NOVI, creëert draagvlak bij de decentrale overheden, weet De Jong. Tegelijk wekt het volgens hem ook verwachtingen. ‘Zo meteen is er ontzettend veel input opgehaald. Hoe ga je daaraan recht doen in de uiteindelijke visie? Formeel juridisch is de NOVI alleen bindend voor het Rijk zelf, maar het is belangrijk dat het Rijk de visie niet teveel naar zichzelf toetrekt. Ook als de NOVI klaar is, moeten alle partijen in gesprek blijven over de uitvoering ervan op de verschillende niveaus. Uiteindelijk moeten er coalities gesmeed worden om aan de opgaven te werken. Dat kan het startpunt zijn van een nieuwe manier van besturen in Nederland.’

André van Lammeren is het daarmee eens. Hij is bij Rijkswaterstaat, directeur Bereikbaarheid en Infrastructuur en gedelegeerd opdrachtnemer voor de bijdrage van Rijkswaterstaat aan de NOVI. Volgens Van Lammeren is de NOVI `hét instrument om de besluitvorming in Nederland te verbeteren en cruciaal voor het laten functioneren van de Omgevingswet’. Van Lammeren: ‘In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk al de nationale belangen aangegeven, waaronder mobiliteit en goede bereikbaarheid. Dat helpt Rijkswaterstaat om zijn taak goed uit te voeren. De Nationale Omgevingsvisie is wat mij betreft weer een stap voorwaarts, omdat er minder sectoraal en meer integraal naar het fysieke domein wordt gekeken. Dat maakt het voor initiatiefnemers, waaronder Rijkswaterstaat, echt anders om plannen van de grond te krijgen. Het aantal overheidsloketten neemt af en de procedures zullen korter duren. Overigens is dat nog wel een uitdaging: om echt meer integraal te handelen. De theorie kennen we, straks moeten we het ook gaan doen.’

Portretfoto Susanne Vleeshouwers, gemeente Tilburg
Susanne Vleeshouwers, gemeente Tilburg

Lokale input voor discussie

Susanne Vleeshouwers is als strateeg bij de gemeente Tilburg lid van het programmateam. Ze doet mee om `aan de voorkant de discussie te beïnvloeden’. ‘Wij kunnen als Tilburg de NOVI niet bepalen, maar we kunnen wel aangeven welke opgaven wij zien in onze gemeente. Sommige daarvan spelen ook op nationaal niveau. Daarom is het goed om te vertellen hoe wij met deze opgaven omgaan, en ook onze ervaringen in het visievormingstraject en de uitvoering te delen. Wij hebben als Tilburg al een omgevingsvisie vastgesteld. Die vormt waardevolle lokale input voor de discussie binnen het programmateam.’

Praten over de NOA en de NOVI geeft haar gemeente focus, vindt Vleeshouwers. ‘De NOVI geeft de nationale ambities aan, maar laat ook zien wat de investeringen van het Rijk betekenen op regionaal en lokaal niveau. Wij proberen het kader dat het Rijk straks geeft met de NOA en de NOVI, zo goed mogelijk te vertalen naar onze eigen plannen en ambities. Dat zal mede richting geven aan onze investeringen en ons helpen om gericht partnerschappen te sluiten. Het zou mooi zijn als we uiteindelijk nationale, provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies hebben die op elkaar aansluiten. Dat geeft extra slagkracht, waardoor je sneller partijen kunt mobiliseren om aan de uitvoering van plannen te werken.’