Betere informatievoorziening voor overheid, burgers en bedrijven

Wat de Omgevingswet belooft, moet het Digitaal Stelsel Omgevingswet ondersteunen. Deze verzameling ICT-systemen, afspraken en registraties stelt alle relevante regelgeving en informatie over de leefomgeving beschikbaar en is bedoeld om de besluitvorming te versnellen. Geen kleine opgave: de ontwikkeling van het DSO loopt dan ook door tot 2024.

Cees van Westrenen
Cees van Westrenen, gemeenteadviseur KING

De Omgevingswet valt of staat met digitalisering. De ambities van de wet – snellere besluitvorming, simpele procedures, meer burgerparticipatie en meer ruimte voor initiatiefnemers – vragen om een verbetering van de informatievoorziening. ‘Zonder digitalisering is de Omgevingswet onuitvoerbaar’ stelt Cees van Westrenen, gemeenteadviseur bij het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) en lid van het programmateam van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat gemeenten ondersteunt bij het kunnen werken met de Omgevingswet. ‘De slag die we in de regelgeving maken – het integreren van verschillende wetten en processen op het terrein van de fysieke leefomgeving – moet gevolgd worden door een integratieslag in de informatievoorziening. De huidige voorzieningen zijn nog ingericht op de oude regelgeving en gaan slechts in op aspecten van de Omgevingswet. Via de Activiteitenbesluit Internet Module kun je bijvoorbeeld nu nog een milieumelding doen. Maar de Omgevingswet is veel breder dan alleen het aspect ‘milieu’. Daarom is het nodig om de informatievoorziening aan te passen.’

Theo Overduin
Theo Overduin, adviseur digitalisering en informatievoorziening Omgevingswet, IPO

Volgens Theo Overduin, adviseur digitalisering en informatievoorziening Omgevingswet bij het Interprovinciaal Overleg (IPO), levert de huidige informatie over de fysieke leefomgeving nog “teveel gedoe” op. ‘De kwaliteit van de informatie is onvoldoende en begrippen worden verschillend geïnterpreteerd. Voor geluidsoverlast hanteren verschillende overheden bijvoorbeeld hun eigen rekenmodel. Het kan sneller, eenvoudiger en beter als wij een goede gemeenschappelijke informatiebasis bouwen voor iedereen: niet alleen voor overheden, maar ook voor burgers en bedrijven.’

Ontwikkeling in fasen

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) wordt gefaseerd ontwikkeld. In 2019 moet de basis klaar zijn. Met deze eerste versie van het DSO moet minimaal de continuïteit van het vergunningverleningsproces geborgd zijn. In de 5 jaar daarna wordt het DSO in fasen uitgebouwd.

Uniek gebruikersperspectief

Die gemeenschappelijke informatiebasis heet het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en moet betrouwbare gegevens over de fysieke leefomgeving op een gebruiksvriendelijke manier beschikbaar stellen. Zo valt onder het toekomstige DSO een centraal loket waar burgers en bedrijven digitaal een vergunningaanvraag en een melding kunnen doen. Dit vervangt huidige voorzieningen als de Activiteiten Internet Module en het Omgevingsloketonline. Daarnaast omvat het DSO op termijn mogelijk 10 informatiehuizen waarin gegevens over de kwaliteit van de leefomgeving worden georganiseerd. Initiatiefnemers en overheden hebben hiermee direct inzage in de stand van zaken op het gebied van bijvoorbeeld water, bodem, lucht en geluid en een overzicht van de activiteiten die op een bepaalde locatie mogelijk zijn. Dit moet leiden tot minder onderzoekskosten voor initiatiefnemers en minder risico’s bij bezwaar- en beroepsprocedures.

Uniek aan het DSO is volgens Van Westrenen het gebruikersperspectief. ‘Bij stelsels wordt er vaak geredeneerd vanuit de overheid, maar het nieuwe aan de Omgevingswet en aan het DSO is dat de eindgebruiker centraal staat. Dat kunnen de overheden zijn, maar ook burgers of ondernemers die iets willen in de fysieke leefomgeving. Al deze gebruikers worden volledig gelijkgesteld aan elkaar. Zij beschikken over dezelfde betrouwbare informatie zodat ze in staat zijn om hun werk te doen, de regels goed kunnen interpreteren, goed geïnformeerd zijn of invloed kunnen uitoefenen. Tamelijk baanbrekend.’

Bestuursakkoord: samen werken aan DSO

Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen hebben in een bestuursakkoord besloten dat zij het Digitaal Stelsel Omgevingswet gezamenlijk gaan ontwikkelen. Het stelsel valt onder het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ dat overheden ondersteunt bij de implementatie van de Omgevingswet.

Kennis en dossiers delen

Behalve dat het DSO bedoeld is om de informatievoorziening richting initiatiefnemers te verbeteren, moet het stelsel ook de communicatie tussen overheden onderling gemakkelijker maken. Dat is zelfs een basisvoorwaarde voor het slagen van de Omgevingswet. Volgens Overduin moet ook hierbij de gebruiker centraal staan. ‘Het moet voor een burger of bedrijf niet uitmaken dat er verschillende overheden bestaan. Het DSO is een kans om onszelf als één overheid te presenteren, die trots kan zijn op de excellente, moderne en laagdrempelige wijze waarop zij dienstverlening biedt aan burgers en bedrijven. Volgens de Omgevingswet moeten initiatiefnemers straks veel eerder weten waar zij aan toe zijn. Dat betekent dat overheden veel nauwer moeten samenwerken en dus ook veel sneller dan nu kennis en dossiers moeten delen. Anders kunnen zij bij het beoordelen van een plan of een aanvraag nooit alle aspecten zorgvuldig en op tijd meewegen.’

Hoewel de naam misschien anders doet vermoeden is het DSO niet alleen maar een ICT-systeem. Onder het stelsel vallen ook de registratie van gegevens en afspraken over het gebruik van gegevens. Het hanteren van één loket voor informatie is zo’n afspraak, net als het opnemen van alle omgevingsdocumenten in één registratie, zodat ze goed vindbaar zijn voor iedereen. Het DSO gaat volgens Overduin ook over “zoiets simpels als het gebruik van dezelfde begrippen”. ‘Wat is een steiger? Wat wordt verstaan onder gebouwd perceel? Wanneer heb je een kapvergunning nodig? Dat lijken simpele zaken, maar er is nog een wereld aan uniformering te winnen. We kunnen leren van de ruimtelijke ordening waar de traditie al bestaat van digitalisering en afspraken maken. Daarnaast hebben we in Nederland basisregistraties bedacht met dezelfde achterliggende gedachte. Ook in Europees verband zijn er met INSPIRE initiatieven om de informatievoorziening te uniformeren. Maar op het terrein van de fysieke leefomgeving moeten we nog behoorlijke stappen maken.’

Vervolg op VIVO

De Verkenningen InformatieVoorziening Omgevingswet (VIVO’s) krijgen dit najaar een vervolg. Dan kijken overheden samen – niet meer afzonderlijk – hoe zij over 3 jaar willen (samen)werken op het gebied van de fysieke leefomgeving. Tegelijk wordt onderzocht welke informatie hiervoor in het Digitaal Stelsel Omgevingswet opgenomen moet worden. Werktitel van de bijeenkomsten: ‘Uitwerking InformatieVoorziening Omgevingswet’ (UIVO). Het is de bedoeling dat de nieuwe werkwijze alvast via pilots in de praktijk wordt getest.

Stille revolutie

De ontwikkeling van het DSO gebeurt interbestuurlijk en vraaggestuurd. Dat hebben het Rijk en de koepelorganisaties vorig jaar afgesproken (zie kader). Begin dit jaar werden voor alle overheden Verkenningen InformatieVoorziening Omgevingswet (VIVO’s) gehouden. Tijdens werkateliers konden honderden medewerkers van het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen meepraten over hoe het DSO eruit moet zien en reageren op het visiedocument Digitaal Stelsel Omgevingswet.

De animo voor de verkenningen was groot. Zo deden er maar liefst 120 medewerkers van gemeenten mee. Van Westrenen: ‘Aan de ene kant hebben gemeenten veel vragen, zoals wat het DSO straks biedt en wat een gemeente zelf nog moet organiseren aan informatievoorziening. Daarnaast weten de gemeenten heel goed dat zij baat hebben bij het DSO en dat het dus belangrijk is om mee te denken en mee te ontwikkelen. Ook gemeenten hebben straks snel en gemakkelijk toegang tot informatie. Die kunnen zij gebruiken om bijvoorbeeld een Omgevingsvisie op te stellen of om toetsing uit te voeren. Bovendien kunnen gemeenten straks beter het gesprek aangaan met burgers en ondernemers omdat deze zich via het DSO beter hebben voorbereid.’

Net als onder gemeenten, leeft het DSO ook onder provincies volgens Overduin. ‘Natuurlijk is er gezonde scepsis, vooral van mensen die het DSO zien als een ICT-systeem en huiverig zijn voor tegenvallende kosten en planningen. Tegelijkertijd is er het besef dat het DSO een stille revolutie mogelijk maakt. Tijdens de VIVO stelden de provincies dat de planvorming moet verhuizen van de provinciehuizen naar een meer open en co-creatieve omgeving samen met alle betrokken partijen. Het is niet meer de overheid die alles bedenkt, bepaalt, controleert en regisseert. Er is meer ruimte voor burgers en bedrijven, zeker als alle informatie gewoon online voor iedereen toegankelijk is. Persoonlijk vind ik dat een fantastisch idee: gooi het allemaal maar open en ga er maar mee aan de slag.’