Beter, gezonder en aantrekkelijker


Duurzaamheid staat centraal bij alle taken van Rijkswaterstaat. Volgens Peter Struik, hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving, wil zijn organisatie maximaal bijdragen aan een duurzame leefomgeving. Werken volgens de normen, kaders en richtlijnen zal niet altijd voldoende zijn. ‘Als wij écht willen bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van de Nederlanders, moeten wij een paar stappen verdergaan dan de regelgeving.’

Als uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft Rijkswaterstaat vele doelen, plannen en ideeën op het gebied van duurzaamheid. Infrastructuur die in 2020 20% minder energie gebruikt dan in 2009. Gebouwen en faciliteiten die elk jaar 2% minder energie verbruiken. Bruggen en sluizen die zelf energie opwekken. Biobased vangrails op parkeerplaatsen en lichtgekleurd asfalt in tunnels. Volledig duurzame inkoop bij grond-, weg- en waterbouw. In het duurzaamheidsverslag over 2015 zijn de duurzaamheidsambities van Rijkswaterstaat kort en krachtig samengevat: duurzaam en leefbaar wordt de basis.

Peter Struik
Peter Struik, hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving

Bij alle taken kijkt Rijkswaterstaat of het duurzamer kan. Bij het ontwikkelen en beheren van de 3 basisnetwerken – het hoofdwegennet, het hoofdwaternetwerk en het hoofdwatersysteem – en bij het zorgen voor functionaliteiten als waterveiligheid, watermanagement, mobiliteit en gebiedsontwikkeling. ‘Met het vormen van het ministerie van IenM en het overnemen van de kennis- en uitvoeringstaken van Agentschap NL op het gebied van milieu en leefomgeving hebben wij een heel brede rol gekregen op het gebied van duurzaamheid’ zegt Peter Struik. ‘Daar zitten nieuwe onderwerpen tussen, zoals de circulaire economie en energieneutraliteit, maar ook oude bekende. Neem het integraal waterbeheer, daarin nemen wij alle duurzaamheidsaspecten al decennia mee. Dat zit in onze genen.’

Duurzaamheidsverslag 2015 Rijkswaterstaat

Duurzaamheid is fundament

Het centrale thema duurzaamheid maakt dat alle activiteiten van Rijkswaterstaat worden verantwoord vanuit de impact op de aarde. Dat is het fundament, de duurzame leefomgeving, zo valt te lezen in het duurzaamheidsverslag. Vorig jaar is intern het antwoord gezocht op de vraag hoe Rijkswaterstaat kan bijdragen aan een duurzame leefomgeving. Daarbij zijn 6 focusgebieden gekozen: energie en klimaat, duurzame bereikbaarheid, circulaire economie, duurzame gebiedsontwikkeling, duurzaam waterbeheer en gezondheid. ‘Als we stappen willen maken, kan niet alles even belangrijk zijn. De 6 focusgebieden geven richting aan onze organisatie.’ vindt Struik. Van de 6 focusgebieden is gezondheid een vreemde eend in de bijt, geeft Struik toe. Het is volgens hem ook meteen de lastigste opgave. ‘Terwijl de andere focusgebieden al min of meer zijn opgenomen in onze huidige werkwijze, moeten wij bij gezondheid onze agenda nog bepalen. Waar zijn wij wel en waar zijn we niet van? En hoe vertalen wij dat naar onze operationele werkzaamheden? Dat is de ontdekkingstocht die wij nu maken en dat is goed, want het rekt onze mind op. Bijvoorbeeld bij het Programma Slimme en Gezonde Stad werken wij nauw samen met stadsbewoners en gaan wij het experiment met hen aan. Door de ruimte in te richten met inachtneming van welzijn en gezondheidsaspecten, leveren wij ook een bijdrage aan een duurzamer, veiliger en gezonder Nederland.’

'Door de ruimte in te richten met inachtneming van welzijn en gezondheidsaspecten, leveren wij ook een bijdrage aan een duurzamer, veiliger en gezonder Nederland'

Werken met streefwaarden

Het is een ontdekkingstocht die voor Rijkswaterstaat verstrekkende gevolgen kan hebben. Struik: ‘Tot nu toe werken we met normen, kaders en richtlijnen. Als we daaraan voldoen, is het goed. Maar als wij maximaal willen bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van de Nederlanders, moeten wij een paar stappen verdergaan dan de regelgeving. Dat geldt overigens niet alleen voor gezondheid, maar voor alle focusgebieden. Het gaat erom welke waarden wij als Rijkswaterstaat willen bieden aan de samenleving. Ik kan me voorstellen dat we naast het werken met een harde ondergrens in de nabije toekomst ook gaan werken met een streefwaarde. Dan kunnen wij bij elk project bepalen hoeveel wij realiseren van de streefwaarde. Dat doen we nu helemaal niet, dus het hele instrumentarium hiervoor moeten wij nog ontwikkelen.’

Behalve de eigen ambities is ook het ‘MIRT nieuwe stijl’ van invloed op de werkwijze van Rijkswaterstaat. Het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport 2016 zorgt volgens Struik voor een scope challenge. ‘Tot 5 jaar geleden stond het MIRT vast. Voor een project werd afgesproken wat wij gingen maken tegen een afgesproken prijs en in het afgesproken tijdsbestek. Dat liet ons weinig ruimte om te verbeteren. De nieuwe manier van werken binnen het MIRT is meer gebiedsgericht. Dat houdt in: bij iedere opgave het geheel van de functies in een gebied bekijken en waar mogelijk samen met partners combinaties maken. We verruimen waar mogelijk de scope van een project om ambities op het gebied van duurzaamheid en gebiedskwaliteit mee kunnen nemen.’

Krijgt de omgeving hierdoor meer invloed op de werkwijze van Rijkswaterstaat?
‘De omgeving krijgt een bredere invulling. We hebben onze projecten altijd in samenspraak met de samenleving uitgevoerd via bijvoorbeeld inspraakavonden, co-creatie en partneroverleg. Daardoor zijn we gepokt en gemazeld in integraal omgevingsmanagement. Het proces kennen we dus, maar het aantal variabelen en partners neemt toe. Bovendien wordt er breder gekeken naar het effect van een project: wat betekent het voor de directe omgeving, voor Nederland en misschien wel voor de planeet? Ook hier is sprake van een scopeverruiming.’

Welke uitdagingen geven het waardengericht werken en de scopeverruiming?
‘Wat betreft de projecten blijven de betaalbaarheid en realiseerbaarheid natuurlijk belangrijke voorwaarden. Voor onze eigen organisatie betekent het dat wij onze professionaliteit moeten verbreden op het gebied van samenwerken en onderhandelend ontwerpen. Daarnaast moeten wij als Rijkswaterstaat de precedentwerking goed kunnen hanteren. Als je bij een project zegt, we kunnen het nog mooier of beter maken, dan wordt dat al snel de norm bij een volgend project. We hebben met bevlogen burgers te maken die bijvoorbeeld een weg niet willen ruiken of zien, maar er wel plezier van willen hebben. Deze opgave zal alleen maar groter worden als de Omgevingswet is ingevoerd. Die geeft ruimte aan andere initiatiefnemers en andere bevoegd gezagen. Dan kan het zo zijn dat er meer milieuruimte wordt gerealiseerd ten koste van een ander onderdeel van een project. Op het gebied van duurzaamheid en gebiedskwaliteit moeten in de toekomst ingewikkelde afwegingen worden gemaakt. Rijkswaterstaat zal een van de belangrijke partijen zijn om die te helpen maken.’

Hoe ver is Rijkswaterstaat op dit moment met het leveren van een bijdrage aan een duurzame leefomgeving?
‘Op sommige gebieden zijn we al heel ver. In de jaren ’80 stond het schuim op de Nederlandse sloten, de zalm was weg uit de Rijn en de waterkwaliteit was slecht. Als je kijkt wat wij op het gebied van integraal waterbeheer in 4 decennia voor elkaar hebben gekregen, dan kun je zeggen dat we 90 % van deze opgave al hebben gerealiseerd. Via ‘building with nature’ en het ecologisch herstel van de waterkwaliteit werken wij aan de laatste 10%. Wat betreft mobiliteit zijn er nog grote opgaven, met name als het gaat om het duurzamer maken van het mobiliteitssysteem met behulp van informatietechnologie. Op het gebied van CO2-neutraal werken en circulaire economie, weten we wat wij moeten doen en leren wij het instrumentarium hiervoor steeds beter kennen. Maar onze ambities voor alle focusgebieden zijn hoog. Rijkswaterstaat zet maximaal in op een duurzame leefomgeving.’