De top van iedereen


De Nationale Klimaattop in oktober van dit jaar leverde nieuwe afspraken op over het terugdringen van de CO2-uitstoot. De inbreng van deelnemers was groot. Volgens klimaatambassadeur Filip van As vormde de top een belangrijk markeringspunt. Nu is het tijd om draagvlak te creëren op de plekken waar alle energieplannen landen: bij de gemeenten.

Martijn Tak
Martijn Tak, senior beleidsmedewerker Klimaatbeleid bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu

Concrete afspraken over minder CO2-uitstoot, grote media-aandacht en tevredenheid bij de staatssecretaris en de 1.500 deelnemers: de Nationale Klimaattop op 26 oktober 2016 was een succes, volgens Martijn Tak, senior beleidsmedewerker Klimaatbeleid bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en projectleider van de top. ‘Het kan niet anders dan dat het enthousiasme van Parijs is overgeslagen naar Nederland’ zegt hij.

‘Het kan niet anders dan dat het enthousiasme van Parijs is overgeslagen naar Nederland’

Shell en Greenpeace

De organisatie moest volgens Tak ‘vanaf nul’ beginnen toen de initiatiefnemer, staatssecretaris Sharon Dijksma van IenM, de top in mei van dit jaar aankondigde. Alleen de doelen waren bekend: er moesten zoveel mogelijk partijen in actie komen en op alle belangrijke klimaatthema’s moesten stappen gezet worden. Tak: ‘De staatssecretaris stelde in mei dat iedereen in actie moet komen om de doelstellingen van Parijs te halen. Met die boodschap zijn we aan de slag gegaan. We hebben voor alle relevante klimaatthema’s partijen uitgenodigd: overheden, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), bedrijfsleven en wetenschap. Bovendien hebben we er bewust voor gekozen om ‘tegenstanders’ een plek te geven op het podium. Het was heel bijzonder om Shell en Greenpeace elkaar de hand te zien schudden. Dat moet voor beiden spannend zijn geweest, maar precies om die reden hadden ze elkaar gevonden, zo van: jij durft je nek uit te steken, dan durf ik dat ook. Shell en Greenpeace hebben, net als alle andere deelnemers, laten zien dat de klimaatopgave zo groot is dat we allemaal een bijdrage moeten leveren.’

De aanpak met bijna 50 ‘break-outsessies’ is volgens Tak bepalend geweest voor het succes van de top. Tak: ‘Er moesten tijdens de top nieuwe acties in gang worden gezet. Met alleen een plenair programma hadden we dat niet gered. Deelnemers konden daarom hun eigen break-outsessies organiseren en de diepte ingaan. Door die aanpak ging het niet om de klimaatdoelstellingen van IenM waar partijen een bijdrage aan konden leveren, maar om de nationale klimaatdoelstellingen waar wij met z’n allen aan moeten werken. IenM had weliswaar de top georganiseerd, maar de Klimaattop was van iedereen. Verder werd er ontzettend goed samengewerkt in het organisatieteam. Iedereen vulde elkaar supergoed aan. Ook dat is een van de kritische succesfactoren geweest.’

Filip van As
Filip van As, wethouder gemeente Zwolle en aangesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu als klimaatambassadeur

Gasloze steden

Tijdens veel break-outsessies werden er nieuwe afspraken ondertekend om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. Van 12 van deze afspraken berekende Ecofys de reductie. Als deze 12 daadwerkelijk worden gerealiseerd, betekent dit een reductie van 17,6 megaton CO2: 9 procent van de huidige jaarlijkse uitstoot in Nederland. De grootste winst wordt behaald door de opslag en het hergebruik van CO2, de transitie van aardgas naar duurzame warmte en door energiebesparing bij bedrijven.

Deelnemer Filip van As, wethouder gemeente Zwolle en aangesteld door het ministerie van IenM als klimaatambassadeur, noemt de top ‘een belangrijk markeringsmoment’. Hij was een van de ondertekenaars van de brief waarin gemeenten, verenigd in de G32 en G4, pleitten om het gebruik van aardgas in de Nederlandse stedelijke regio’s uit te bannen. Met resultaat: tijdens de top ondertekenden gemeenten, provincies, energiebedrijven, netbeheerders en milieuorganisaties een manifest om te stoppen met het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving. Dit betekent in 2030 jaarlijks ruim 5 megaton minder CO2 uitstoot.

Top-down bepaald

‘Een mooie uitkomst’ vindt Van As. Toch gebruikte hij de top om ‘een extra appèl’ te doen. Klimaatdoelstellingen en energieakkoorden zijn belangrijk om de transitie waar Nederland voor staat te realiseren. Maar, zegt Van As, ze zijn ‘allemaal top-down bepaald’. Terwijl voor zo’n ingrijpende verandering draagvlak en inzet van de samenleving nodig is. Van As: ‘De discussie gaat nu nog vaak over hoeveel windmolens en zonnepanelen ergens moeten komen. Maar als het gaat om de ruimtelijke vertaling en de maatschappelijke acceptatie daarvan is er nog een lange weg te gaan. Omwonenden worden regelmatig pas bij de discussie betrokken als het besluit om bijvoorbeeld windmolens te plaatsen al is genomen. Wij merken in Zwolle dat er weerstand tegen deze manier van werken bestaat en dat begrijp ik. De samenleving pikt het niet als er zaken voor haar worden bedacht. Daarom betrekken wij de stad al vroeg bij dergelijke plannen.’

Het besef moet doordringen dat de energietransitie grote gevolgen heeft op lokaal niveau. Alle energieplannen landen in de gemeenten, aldus Van As. Gemeenten moeten daarom volgens hem inwoners veel meer betrekken bij het energievraagstuk. Dat wil zeggen: draagvlak creëren aan de voorkant van projecten en de energieopgave bovendien koppelen aan sociale thema’s. Door het verduurzamen van woningen en het lokaal opwekken van duurzame energie profiteren inwoners van de energieplannen en gaat het onderwerp meer bij ze leven. Van As ziet veel heil in ‘coöperatieve modellen’, zoals een initiatief van de inwoners van Zwolle om in de stad lokale energiebedrijfjes op te zetten waarin inwoners een aandeel kunnen nemen. Van As: ‘Dat geeft een heel andere dynamiek dan wanneer een bedrijf van buiten Zwolle in de gemeente wil investeren in windenergie. Want dat betekent dat de opbrengsten naar buiten de gemeentegrenzen gaan.’