Prioriteiten van het tweede bodemconvenant (2016-2020)

Het bodembeleid in Nederland wordt de komende jaren steeds verder gedecentraliseerd. Bodembeheer moet een reguliere taak van gemeenten worden. Daarnaast is het met de komst van de Omgevingswet aan de decentrale overheden om te bepalen hoe zij omgaan met de kansen en bedreigingen in de bodem en ondergrond. Het uitvoeringsprogramma van het tweede bodemconvenant biedt ondersteuning, zonder sturend te zijn. 'Wij accepteren dat besluiten lokaal worden genomen.'

"Top down" en "centrale sturing": het zijn termen die, als het aan het uitvoeringsprogramma van het tweede bodemconvenant ligt, de komende jaren steeds minder van toepassing gaan zijn op het "bodemdossier". Neem de aanpak van de bodemverontreiniging. In het eerste bodemconvenant zijn de spoedlocaties die gevaarlijk waren voor de volksgezondheid gesaneerd. In het tweede bodemconvenant (2016-2020) ligt de focus op nog zo'n 1.500 locaties die een bedreiging vormen voor het grondwater en zo'n 200.000 minder vervuilde locaties. 'Als deze locaties gesaneerd of beheersbaar zijn gemaakt, komt daarmee een eind aan de klassieke manier van bodemsanering', aldus Henk van den Berg, voorzitter van de Werkgroep Bodem van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dit netwerk van gemeentelijke ambtenaren buigt zich regelmatig over bodemvraagstukken. 'Sinds "Lekkerkerk"', zegt Van den Berg, 'pakken wij de bodemverontreiniging in Nederland centraal geleid aan. Gemeenten en provincies worden aangesproken op de locaties die zij moeten saneren en het uitvoeringsprogramma trekt de projecten. Die manier van saneren ronden we af met het tweede bodemconvenant.' Het omgaan met bodemverontreiniging moet de komende jaren een reguliere taak van decentrale overheden worden.

Kansen en bedreigingen

Dat geldt eveneens voor het andere belangrijke doel van het tweede bodemconvenant: bodem en ondergrond moeten integraal onderdeel worden van maatschappelijke opgaven. Ook dit wordt een taak van de decentrale overheden, die daarbij verbanden moeten leggen tussen alles wat er in en boven de grond gebeurt. Een integrale manier van kijken naar bodem en ondergrond is niet slechts de wens van bodemspecialisten, maar ook een opdracht die voortvloeit uit de komende Omgevingswet. Provincies en gemeenten moeten straks in hun Omgevingsvisies beschrijven hoe zij denken om te gaan met de kansen en bedreigingen in de bodem en ondergrond.

Corné Nijburg, programmadirecteur Uitvoeringsprogramma Convenant Bodem en Ondergrond

Het uitvoeringsprogramma van het tweede bodemconvenant ondersteunt de decentrale overheden hierin, zonder sturend te zijn, stelt programmadirecteur Corné Nijburg. 'Tijdens deze convenantsperiode moeten wij de samenleving het belang van bodem en ondergrond duidelijk maken. Lokale bestuurders, maar ook burgers en bedrijven moeten inzicht krijgen in de kansen en beperkingen van de bodem. Leren om de maatschappelijke opgave van een gebied in haar totaliteit te benaderen, met bodem en ondergrond als integraal onderdeel daarvan. Bijvoorbeeld als zij ergens bouwactiviteiten ondernemen en rekening moeten houden met mogelijke bodemvervuiling. Of als zij, in het kader van energieneutraliteit, de kansen voor warmte-koudeopslag willen onderzoeken. Het uitvoeringsprogramma kan de decentrale overheden de benodigde inhoudelijke en proceskennis aanleveren. Het is vervolgens aan de lokale samenleving om de afwegingen te maken.'

Democratisch gekozen

Deze decentralisatie van het bodembeleid zorgt volgens Van den Berg voor een wezenlijk andere manier van werken. 'Provincies en gemeenten bepalen in hun Omgevingsvisies zelf welke prioriteiten zij hebben. Het is niet meer zoals vroeger toen het Rijk de Rijksvisie schreef, de provincies daar hun visies op baseerden en vervolgens de gemeenten het in hun bestemmingsplan mochten oplossen. Maatschappelijke opgaven worden met de komst van de Omgevingswet veel meer een samenspel tussen overheden, burgers en bedrijfsleven. Het tweede bodemconvenant sluit aan op deze ontwikkeling. We benadrukken het belang van bodem en ondergrond, maar accepteren dat de besluiten lokaal worden genomen. Dat is een groot verschil met het uitvoeringsprogramma van het eerste bodemconvenant waarin duidelijk stond wat we gingen opleveren. Met het tweede convenant gaan we terug naar hoe het ooit was: het democratisch gekozen lokale bestuur beslist wat er gebeurt op lokaal niveau.'

Dat samenspel is overigens nog wel een zoektocht, vinden beiden. Maar in de eerste convenantsperiode hebben overheden al ervaring kunnen opdoen in het samenwerken op bodem en ondergrond. 'Nederland is dan ook bevoorrecht met het bodemconvenant', zegt Van den Berg. 'Het is een prachtig instrument voor het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen om te praten over hoe zij straks de Omgevingswet goed kunnen laten functioneren.'

'Willen wij in de toekomst van de bodem blijven profiteren, dan moeten we er nog beter voor zorgen’

Dezelfde taal

Binnen het uitvoeringsprogramma wordt al volop geëxperimenteerd met het integraal kijken naar bodem en ondergrond. Er lopen volgens Nijburg inmiddels zo'n 80 projecten. Leiden en enkele buurgemeenten, verenigd in de Hart van Holland-gemeenten, hebben de ambitie om duurzaam bodembeheer in één Omgevingsvisie te integreren met een verstedelijkingsopgave. Ook provincie, waterschappen en drinkwaterbedrijven werken hieraan mee. De gemeenten namen volgens Nijburg contact op met het uitvoeringsprogramma, omdat het hen ontbrak aan kennis van het bodemsysteem. 'Zij worstelden met vragen als:

  • Hoe houden wij rekening met de bodemdaling?
  • Wat zijn de mogelijkheden van geothermie?
  • Hoeveel ruimte vergt het van de ondergrond als wij wat energie betreft zelfvoorzienend willen zijn?
  • Hoe wegen we deze belangen af in een Omgevingsvisie?

Wij brengen hiervoor de benodigde kennis in. Daarnaast kunnen wij helpen om de vaak gescheiden werelden van ruimtelijke ordening en leefomgeving bij elkaar te brengen. Bodem en ondergrond moet niet langer een sectorale aangelegenheid zijn. Daarvoor moeten beide werelden wel dezelfde taal leren spreken.'

De Hart van Holland-gemeenten onderkennen het belang van bodem en ondergrond. Geldt dat ook voor andere gemeenten? Wordt er niet te veel gevraagd van de decentrale overheden? 'Het belang van bodem en ondergrond wordt lokaal vanzelf helder', zegt Van den Berg. 'Omdat de bodem een rol speelt in verschillende maatschappelijke opgaven. Gemeenten kunnen er niet omheen. Een belangrijkere vraag vind ik of de landelijke politiek wel voldoende onderkent dat de bodem een cruciale rol speelt bij de 2 grote opgaven waar Nederland voor staat: de energietransitie en de klimaatadaptatie. We zullen de bodem moeten gebruiken voor bijvoorbeeld geothermie en de opslag van CO2. We hebben de bodem nodig voor drinkwaterwinning en voedselproductie, terwijl door de klimaatverandering de verzilting toeneemt en het landbouwareaal onder druk staat. Willen wij in de toekomst van de bodem blijven profiteren, dan moeten we er nog beter voor zorgen. Als we alleen maar denken dat dit een zaak van de gemeenten is, omdat we de maatschappelijke vraagstukken lokaal hebben neergelegd, komen we als Nederland nog op de koffie.'

Het uitvoeringsprogramma biedt volgens Nijburg ondersteuning, maar "kan niet in zijn eentje de transitie naar een integraal bodembeleid realiseren". Nijburg: 'Dat moeten we samen met de overheden en bedrijven doen. Met elkaar werken aan belangen die lokaal op draagvlak kunnen rekenen en die tegelijk belangrijk zijn voor Nederland als geheel. Zonder dat Den Haag alles regelt. Ook dat is onderdeel van de zoektocht.'