Kansen en uitdagingen van het alternatief voor gas

Warmtenetten kunnen een substantiële bijdrage leveren aan de energietransitie waar Nederland voor staat. Gemeenten willen graag ‘van gas loskomen’. Welke kansen bieden warmtenetten en wat zijn de uitdagingen? En: welke rol speelt ruimtelijke planning in het realiseren van deze alternatieve warmtevoorziening?

Nederland moet de komende decennia langzaam maar zeker overstappen van aardgas naar andere vormen van ruimteverwarming. Dat valt onder meer te lezen in de Energieagenda. In de toekomst wordt er geen nieuwe gasinfrastructuur meer aangelegd en verdwijnt de aansluitplicht voor gas. Dat betekent dat gemeenten moeten bepalen hoe zij, anders dan door gas, in warmte gaan voorzien. Warmtenetten kunnen hierin een serieuze optie zijn en substantieel bijdragen aan het halen van hun klimaatdoelstellingen. Momenteel wordt in Nederland jaarlijks bijna 800 Petajoule energie gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en voor productieprocessen – oftewel 30% van het totale energiegebruik. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft berekend dat warmtenetten tegen 2050 zo’n 350 Petajoule van de netto warmtevraag kunnen leveren. Dat is ongeveer 7 keer zoveel als nu.

Warmtenetten

Een warmtenet is een netwerk van leidingen onder de grond, waardoor warm water stroomt afkomstig van een warmtebron in de buurt. Ook regel- en opslagsystemen en voorzieningen voor bijstook horen bij het warmtenet. Het warme water kan worden gebruikt om gebouwen te verwarmen. Een warmtenet is mogelijk op wijk-, stad- of regioniveau, maar ook voor een enkel gebouw (blokverwarming).

Meer informatie is te vinden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Henk Puylaert, partner van H2Ruimte

‘Door slimme planning kunnen gemeenten vraag en aanbod van warmte zo dicht mogelijk bij elkaar brengen’

Serieuze uitdagingen

Gemeenten die willen investeren in warmtenetten moeten rekening houden met diverse uitdagingen, weet Henk Puylaert, partner van H2Ruimte. Zijn bureau onderzocht samen met Bodem+ van Rijkswaterstaat hoe het ruimtelijk beleid kan bijdragen aan het sluitend maken van businesscases voor warmtenetten. De eerste uitdaging volgens Puylaert: gemeenten kunnen, ruimtelijk gezien, betrekkelijk weinig invloed uitoefenen op het aanbod van warmte. ‘Grote warmtebronnen, zoals industrie met restwarmte, afvalverbrandingsinstallaties en elektriciteitscentrales, zijn vaak al jarenlang in een gebied aanwezig. Bovendien zullen veel van deze bronnen, bijvoorbeeld kolencentrales, in de toekomst verdwijnen. De mogelijkheden van een andere belangrijke warmtebron, geothermie, worden bepaald door de geschiktheid van de ondergrond en de ligging nabij de vraag. Dat maakt de sturingsmogelijkheden ook voor deze alternatieve vorm van warmte vrij beperkt. De uitdaging voor gemeenten is om op zoek te gaan naar innovaties. Denk hierbij aan restwarmte van datacenters voor lage temperatuurnetten en open warmtenetten.’

Daarnaast is ook het vinden van voldoende afnemers van warmte volgens Puylaert een serieuze uitdaging bij het ontwikkelen van warmtenetten. ‘Gemeenten kunnen een deel van de vraag gemakkelijk beïnvloeden. Nieuwe woonwijken kunnen bijvoorbeeld aardgasloos worden ontwikkeld. Maar de vraag naar warmte komt voor een groot deel van de bestaande bebouwing. Daar hebben gemeenten te maken met vastgoedeigenaren die niet staan te springen om over te stappen op alternatieve warmte als hun bestaande warmtevoorziening nog niet is afgeschreven. Bovendien wil de kritische consument zijn eigen keuzes maken in plaats gedwongen worden om zich aan te sluiten op een collectief warmtenet. Tot slot zijn er investeringen nodig om bestaand vastgoed aan te sluiten op een warmtenet. Dan heb je het al snel over € 10.000 per aansluiting. Welke vastgoedeigenaar is bereid om dat te betalen? Zonder subsidie zal het uitermate moeilijk zijn om de markt te mobiliseren.’

Een volgende hobbel is het verbinden van aanbod en vraag. Voor warmtenetten moet een eigen ondergrondse infrastructuur worden aangelegd. Puylaert: ‘Bij nieuwbouw zal de aanleg van een warmtenet weinig problemen opleveren. Maar bestaande gebouwen kun je niet verplaatsen; het aanbod van warmte zal naar de vraag gebracht moeten worden. De inpassing, zeker in oude binnensteden, van warmtenetten is een stevige opgave, financieel, technisch en organisatorisch. Het betekent graven in een ondergrond die al zo vol zit. Dat vergt een gedegen planning.’

‘Ruimtelijke ordenaars en warmteplanners moeten elkaar vaker ontmoeten. Dat vraagt om een cultuurverandering’

Cultuurverandering nodig

Juist daarom speelt ruimtelijke ordening een cruciale rol bij het ontwikkelen van warmtenetten, vindt Puylaert. Gemeenten die ‘warmte als een kans zien’, moeten volgens hem ‘ruimtelijke ordening borgen in visie, planvorming en realisering van warmtenetten’. Puylaert: ‘Door slimme planning kunnen gemeenten vraag en aanbod van warmte in ruimte en tijd zo dicht mogelijk bij elkaar brengen. Warmtenetten zijn het meest kansrijk wanneer er sprake is van grote warmteafnemers in de nabijheid van een warmtebron. Grote complexen, zoals ziekenhuizen, schoolgebouwen en appartementengebouwen, kun je dan met relatief beperkte infrastructuur aansluiten. Bovendien hoef je in deze gevallen vaak maar met 1 vastgoedeigenaar zaken te doen. Gemeenten kunnen hier met hun locatiebeleid invloed op uitoefenen. Wat betreft de factor tijd: het uitrollen van een warmtenet moet eigenlijk samenvallen met de verandering in de vraag naar een nieuwe warmtevoorziening. Ook daar kan een gemeente door goede planning bewust op inspelen.’

Daarvoor is het volgens Puylaert wel nodig dat ruimtelijke ordenaars en warmteplanners elkaar vaker ontmoeten. Dat vraagt om een cultuurverandering: ‘Mensen die zich binnen gemeenten met energie bezighouden, zijn stuk voor stuk gepassioneerd. Maar door volledig gefocust te zijn op het realiseren van een warmtenet, kunnen zij allerlei verbindingen met andere beleidsvelden en slimme ruimtelijke combinaties over het hoofd zien. Ruimtelijke ordenaars staan op hun beurt vaak op grote afstand van warmteplanning. Terwijl de ruimtelijke impact van de energietransitie enorm is. Er moet daarom meer interactie komen tussen beide beleidsvelden. Anders missen gemeenten kansen.’

Henk Heijkers, senior beleidsadviseur duurzaamheid, ruimte en energietransitie bij de gemeente Den Haag

Samen ‘stadmaken’

Den Haag ziet vooralsnog grote kansen voor warmtenetten. De gemeente is van plan om voor alle 32 wijken ‘energievergezichten’ te maken, aldus Henk Heijkers, senior beleidsadviseur duurzaamheid, ruimte en energietransitie bij de gemeente Den Haag. Daaronder valt naast het verduurzamen van vastgoed ook het overschakelen op alternatieve warmtebronnen. Die opgave valt weer samen met een ander vraagstuk: hoe kan de stad jaarlijks 5.000 nieuwe inwoners huisvesten in het bestaande gebied? Heijkers: ‘Wij gaan een proces in van “samen stadmaken”, dat wil zeggen: in samenspraak met stakeholders bekijken hoe wij elke wijk kunnen verdichten, vergroenen en verduurzamen. Dat betekent ook: draagvlak creëren voor warmtenetten. Er komt voor elke wijk een natuurlijk moment om de omslag te maken naar duurzame warmte. Het is belangrijk om daar in volledige transparantie en in overleg met vastgoedeigenaren naartoe te werken.’

Warmtenetten zullen in de energievergezichten van Den Haag – ambitie: energieneutraal in 2040 – een belangrijke plaats innemen. Volgens Heijkers zijn momenteel 25.000 eenheden – zo’n 10% van de gebouwenvoorraad – in Den Haag aangesloten op stadsverwarming. Het huidige warmtenet benut de afvalwarmte van de grote gascentrale in het centrum van de stad. Daarnaast wordt in 3 centrales warmte opgewekt voor 2 Haagse Vinexwijken. In de toekomst wil Den Haag op grote schaal overstappen op geothermie en op meerdere dieptes water van verschillende temperatuur naar boven halen. Daarmee kan volgens Heijkers ongeveer de helft van de stad worden verwarmd: zo’n 100.000 woningen en vergelijkbaar aantal vierkante meters bedrijfsgebouwen. De groei moet vooral plaatsvinden in de bestaande stad, stelt Heijkers. ‘De vooroorlogse gebouwen zijn niet altijd gemakkelijk te isoleren. Ze zijn daarom niet altijd geschikt voor all-electric oplossingen, maar wel voor warmtenetten vanaf middentemperatuur. In nieuwere gebouwen zullen we toekunnen met warmte van lagere temperatuur. Overigens: het is nog wel een enorme uitdaging om in een stad die moet verdichten, ook nog eens de ruimte te vinden voor warmtebronnen.’

‘Al zo’n 75 jaar weten wij in Nederland de ruimte bovengronds netjes te ordenen. Nu moeten wij dat ook doen onder de grond’

Stevige regierol

Niet alleen het ontwikkelen van geothermiebronnen is een uitdaging, dat geldt ook voor de aanleg van infrastructuur voor warmtenetten in bestaand gebied. Die moet volgens Heijkers gecombineerd worden met andere graafwerkzaamheden. ‘In Den Haag moet een deel van het gasnet vervangen worden. Dat is een mooi moment om een duurzaam leidingnet aan te leggen. Je kunt het realiseren van warmtenetten ook combineren met rioleringswerkzaamheden of het vervangen van wegdekken en tramtracés. Je moet dan wel met de andere eigenaren van leidingen in de ondergrond afspreken dat zij op hetzelfde moment hun werkzaamheden doen.’

Volgens Heijkers moet de gemeente Den Haag daarom een stevige regierol op zich nemen. ‘Dat is nieuw voor ons. Op operationeel niveau wordt er soms al samengewerkt met andere beheerders, maar nu is een meer strategische regie nodig om werkzaamheden in de openbare ruimte meer integraal te programmeren. Dat is niets minder dan de planologie van de ondergrond waar we ons in Nederland nog niet echt druk over hebben gemaakt. Al zo’n 75 jaar weten wij in Nederland de ruimte bovengronds netjes te ordenen. Nu moeten wij dat ook doen onder de grond. De nieuwe Omgevingswet biedt hiervoor goede kansen.’