Een stapje dichter bij de circulaire economie

Decentrale overheden moeten bij het uitvoeren van afvaltaken rekening houden met het Landelijk afvalbeheerplan (LAP). LAP3 treedt op 28 december 2017 in werking, voor de periode 2017 tot 2023. LAP3 is echter meer dan alleen een verplichting. Het plan biedt op verschillende gebieden ondersteuning. Vergunningverleners hoeven hierdoor niet bij elk initiatief het wiel opnieuw uit te vinden.

Het schrijven van het derde Landelijk afvalbeheerplan (LAP) was ‘een aardige klus’, stelt Marco Kraakman, een van de opstellers, met gevoel voor understatement. Nadat er jaren aan het plan was geschreven, moesten er vervolgens zo’n 1.100 inspraakreacties van decentrale overheden, afvalbrancheorganisaties en individuele bedrijven worden verwerkt. Kraakman bekijkt het positief: ‘Het LAP leeft. Iedereen die met afval te maken heeft, moet en kan wat met LAP3.’

LAP: omgaan met afval

Volgens de Wet milieubeheer en Europese regelgeving moet het Rijk iedere 6 jaar een Landelijk afvalbeheerplan (LAP) maken. Daarin staat hoe Nederland omgaat met afval: hoe worden de risico’s voor mens en milieu beperkt, wat wordt er gedaan om grondstoffen te behouden en hoe worden de verschillende typen afvalstoffen zo hoogwaardig mogelijk verwerkt? Het LAP bestaat uit een beleidskader dat het algemene beleid beschrijft en sectorplannen waarin het beleid wordt uitgewerkt voor specifieke afvalstoffen. Vergunningverleners zijn verplicht om aanvragen te toetsen aan de sectorplannen.

Marco Kraakman, adviseur Afval, Rijkswaterstaat en een van de opstellers van LAP3

Handig hulpmiddel

Een belangrijk aspect van het LAP is de verticale, en daarmee uniformerende, werking. Het Rijk geeft met het plan de kaders aan waarmee de decentrale overheden bij het uitvoeren van afvaltaken rekening moeten houden. In de huidige wetgeving staat al dat zij vergunningen en meldingen moeten toetsen aan het LAP. Daarnaast bepaalt het Besluit omgevingsrecht dat decentrale overheden per 1 januari 2018 verplicht zijn om, binnen een jaar na het inwerkingtreden van het nieuwe LAP, hun vergunningenbestand door te lichten en te actualiseren. Kraakman: ‘De tijd dat vergunningen voor afvalverwerking tijdelijk waren, ligt al geruime tijd achter ons. Het is dus belangrijk om ze regelmatig tegen het licht te houden. Bij het verschijnen van het nieuwe LAP publiceren we ook een handig overzicht van wijzigingen, dat vergunningverleners hierbij kunnen gebruiken.’

LAP3 is echter meer dan alleen een verplichting voor de decentrale overheden, benadrukt Kraakman. Het plan vertaalt Europese en nationale wetgeving en Rijksbrede programma’s als Van Afval naar Grondstof en Nederland circulair in 2050 naar de concrete praktijk van de vergunningverlening. Daarmee is LAP3 volgens hem een handig hulpmiddel bij het uitvoeren van afvaltaken. Kraakman: ‘De vergunningverleners krijgen de concrete initiatieven van bedrijven op hun bord. Met het complexer worden van de afvalregelgeving kan ik me goed voorstellen dat zij zich soms afvragen welke verwerkingstechniek vergund mag worden. LAP3 beschrijft verschillende afvalstromen en legt duidelijk uit waarom er gekozen moet worden voor bepaalde technieken. Daardoor hoeven vergunningverleners niet bij elk initiatief het wiel opnieuw uit te vinden.’

Afwegingen maken

Ondersteuning aan decentrale overheden lijkt des te meer nodig nu LAP3 – meer dan eerdere plannen – is gericht op het efficiënt omgaan met grondstoffen en het voorkomen van afval. LAP3 is een belangrijk instrument in deovergang naar een circulaire economie. Die omslag moet echter vooral in de praktijk worden gemaakt. Door decentrale overheden met LAP3 te ondersteunen, wil het Rijk er volgens Kraakman voor zorgen dat ‘het kwartje de goede kant op valt. Vergunningverleners kunnen met LAP3 goed afwegen of een initiatief bijdraagt aan het realiseren van de circulaire economie. Het plan geeft bijvoorbeeld een kader voor het omgaan met zeer zorgwekkende stoffen. Die wil je het liefst uit de keten halen, maar als je dat in alle gevallen doet, komt er van recycling niets meer terecht. LAP3 geeft met nieuw beleid de gulden middenweg aan. Het plan laat vergunningverleners zien hoe zij kunnen handelen bij concrete initiatieven door het gebruik van drempelwaarden en een risicoanalyse. Hetzelfde geldt voor het mengen van afvalstoffen. Ook hiervoor is nieuw beleid ontwikkeld met nieuwe afvalstoffencategorieën. Vergunningverleners kunnen hierdoor makkelijker besluiten of stoffen gemengd mogen worden, of dat het beter is om ze apart te verwerken.’

‘Vergunningverleners kunnen met het LAP goed afwegen of een initiatief bijdraagt aan de circulaire economie’

LAP3 schept volgens Kraakman ook duidelijkheid als vergunningverleners moeten bepalen of er sprake is van afval of geen afval. ‘In de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen staan vrij abstracte voorwaarden die de Europese Commissie gebruikt bij het opstellen van criteria voor de ‘einde-afvalfase’. De risico’s voor mens en milieu moeten onder meer acceptabel zijn om het etiket ‘afval’ van een materiaal te halen. Daarnaast moet er een goede markt voor het materiaal zijn. Wij hebben in LAP3 een poging gewaagd om deze voorwaarden concreter te maken. Het basisprincipe is: het afvaletiket blijft op een materiaal als dat moet, maar mag eraf als dat kan. Hiervoor schrijven wij ook nog een handreiking. Daarin wordt nog verder uitgewerkt hoe vergunningverleners kunnen toetsen of er inderdaad markt voor een materiaal is. De handreiking zal te zijner tijd op de site van LAP3 staan.’

Circulaire economie

Hoewel LAP3 de omslag naar een circulaire economie wil stimuleren, vonden sommige insprekers het plan niet ambitieus genoeg. Zij vroegen zich af waarom er geen materialenplan is geschreven. Daarin zijn producenten verantwoordelijk om hun productieproces zo in te richten en hun producten zo te ontwerpen dat hergebruik en recycling optimaal mogelijk is.

Kraakman begrijpt de reactie, maar zegt dat LAP3 wel degelijk al veel meer gericht is op het voorkomen van afval. Bovendien staan er volgens hem diverse nieuwe zaken in het plan die de transitie naar een circulaire economie ondersteunen. Kraakman: ‘Wij willen bijvoorbeeld de minimumstandaarden voor verwerking vaker aanpassen. In een vooruitblik beschrijven wij de toekomstige ontwikkelingen al. Bedrijven weten hierdoor welke kant de regelgeving op gaat. Als zij werken met nieuwe toegestane technieken worden ze hierin gesteund. Ook bieden we meer ruimte voor innovaties door experimenteerruimte. Als bedrijven nieuwe technieken willen ontwikkelen die beter zijn dan de huidige, moeten zij daarvoor natuurlijk wel een vergunning kunnen krijgen. Met het basisprincipe ‘afval of geen afval?’ en de uitgebreide handreiking kunnen vergunningverleners hopelijk een goede afweging maken. Het doel blijft afval voorkomen, materialen zo hoogwaardig mogelijk een nieuwe bestemming geven en tegelijk de risico’s voor mens en milieu beperken. Het nieuwe LAP3 biedt daarvoor de benodigde kaders.’

Jacobine Meijer, adviseur Afval, Rijkswaterstaat en organisator LAP-bijeenkomsten

Roadshow omgevingsdiensten

Om decentrale overheden te informeren over LAP3 organiseert Rijkswaterstaat een roadshow langs alle omgevingsdiensten. In een presentatie van 2 uur worden medewerkers bijgepraat over het hoe en waarom van afvalbeleid in Nederland, welke rol afval speelt in het realiseren van de circulaire economie en wat de belangrijkste onderwerpen en wijzigingen in LAP3 zijn. Minstens zo belangrijk is het tweede deel van de bijeenkomst waarin omgevingsdiensten aan kunnen geven waarover ze verder geïnformeerd willen worden en op welke manier.

De eerste presentaties zijn inmiddels geweest. ‘Het LAP leeft enorm’, zegt Jacobine Meijer, die de bijeenkomsten organiseert. ‘De opkomst is hoog: gemiddeld 20 medewerkers per omgevingsdienst. Zij willen graag geïnformeerd worden over de veranderingen in LAP3. Er zijn bijvoorbeeld veel vragen over de gewijzigde minimumstandaarden die in het nieuwe plan staan. Maar ook over zeer zorgwekkende stoffen en ‘afval of niet?’. Dat zijn ook geen straight forward-onderwerpen; er zitten ingewikkelde aspecten aan die om een goede afweging vragen. Daarom staan we er tijdens de bijeenkomsten uitgebreid bij stil.’

Website en helpdesk

Behalve via een roadshow ondersteunt Rijkswaterstaat de decentrale overheden met een website en een helpdesk Afvalbeheer. Deze helpdesk is telefonisch en per e-mail bereikbaar.