Houvast voor glastuinders en toezichthouders

Glastuinders hebben te maken met nieuwe emissie-eisen voor middelgrote stookinstallaties. Zij hebben 2 opties om aan te tonen dat ze aan de regels voldoen: het continu meten van de uitstoot of het opzetten van een zogenaamde ureumboekhouding. De laatste optie is nieuw en nog niet duidelijk omschreven in de regelgeving. Reden voor 2 omgevingsdiensten en onder meer belangenorganisatie LTO Glaskracht om een handleiding te schrijven. Hierdoor weet de glastuinder welke gegevens hij moet aanleveren en kan de toezichthouder snel zijn sommetjes maken.

Sinds 1 januari 2017 moeten alle middelgrote stookinstallaties aan de emissie-eisen in het Activiteitenbesluit voldoen. Voor nieuwe installaties van na 2010 golden deze normen al langer. Nu zijn ze ook van toepassing op ketels, motoren en gasturbines die vóór 2010 in bedrijf zijn genomen. De nieuwe regels gelden onder meer voor de glastuinbouw. In deze sector worden verschillende typen gasgestookte energie-installaties gebruikt, voor het opwekken van warmte en het bemesten van planten met CO2. Voldoen deze installaties niet aan de strengere emissie-eisen? Dan moeten de glastuinders in actie komen.

Uitzondering op de regel

Glastuinders die extern CO2 betrekken, hebben langer de tijd om te voldoen aan de emissie-eisen in het Activiteitenbesluit. Voor hen geldt tot 1 januari 2019 een overgangstermijn.

In actie komen

Maakt een glastuinder bijvoorbeeld gebruik van een aardgasgestookte verwarmingsketel van vóór 2010? Dan kan het nodig zijn om de brander van de installatie aan te passen of te vervangen om aan de nieuwe emissie-eisen te voldoen. Glastuinders met een warmtekrachtinstallatie moeten mogelijk een installatie plaatsen waarmee schadelijke stikstofoxiden (NOx) uit de rookgassen worden gehaald. Bovendien moet na de installatie van zo’n ‘rookgasreiniger’ de uitstoot van NOx continu worden gemeten. Een meetinstallatie vraagt investeringen en regelmatige analyses en rapportages. In plaats daarvan mag de glastuinder ook met een zogenaamde ‘ureumboekhouding’ aantonen hoeveel ureum hij gebruikt om de rookgassen te reinigen.

‘Er moest meer duidelijkheid komen. De regelgeving is hier en daar niet helder over wat er van de glastuinders wordt verwacht’

De nieuwe emissie-eisen gelden niet voor ketels of warmtekrachtinstallaties die maximaal 500 uur per jaar in gebruik zijn. Glastuinders kunnen er dus voor kiezen om hun bedrijfsvoering aan te passen en de stookinstallaties jaarlijks minder dan 500 uur te laten draaien. Zij moeten dit dan wel aantonen met een urenteller. Voor installaties die kleiner zijn dan 2,5 MW gelden minder strenge emissie-eisen. Een rookgasreiniger is dan waarschijnlijk niet nodig. In een aantal gevallen is het mogelijk om het vermogen van een warmtekrachtinstallatie aan te passen, zodat deze onder de 2,5 MW komt.

Extra kostenpost

Rob van der Valk, specialist Energie en Klimaatbeleid van belangenorganisatie LTO Glaskracht, stelt dat een groot deel van de glastuinders al aan de nieuwe emissie-eisen voldoet. ‘Veel glastuinders werken met een warmtekrachtinstallatie in combinatie met een reiniger. De schone CO2 die dat oplevert, wordt benut om de planten harder te laten groeien. Zo’n 80% van de glastuinders heeft al een rookgasreiniger staan.’

De glastuinders die nog geen rookgasreiniger hebben, worden geconfronteerd met een extra kostenpost. Het gaat om een investering van maximaal € 200.000,- waar volgens Van der Valk ‘economisch gezien niet veel tegenover staat’. Van der Valk: ‘Sommige glastuinders zullen van de nood een deugd willen maken en de gereinigde CO2 voortaan als meststof willen gebruiken. Zij moeten zich afvragen: verdient de investering zich terug? Er bestaat al veel kennis op dit terrein, zodat de ondernemers een goede afweging kunnen maken. Ook met het oog op de levensduur van hun installatie. Het kan ook zijn dat sommige glastuinders het vermogen van hun warmtekrachtinstallatie aanpassen. Of de installatie minder dan 500 uur per jaar gaan gebruiken. Het is nog onduidelijk hoeveel dat er zullen zijn.’

Uniforme behandeling

De nieuwe emissie-eisen en de voorwaarden om niet continu te hoeven meten, bieden ruimte voor interpretatie. DCMR Milieudienst Rijnmond heeft daarom samen met Omgevingsdienst Haaglanden het initiatief genomen om de Handleiding ureumboekhouding te schrijven voor glastuinders en toezichthouders. De instructie is echter allesbehalve eenrichtingsverkeer: ook LTO Glaskracht, de leveranciers van gasmotoren en rookgasreinigers en Kenniscentrum InfoMil schreven mee.

Omgevingsdiensten op de hoogte

DCMR Milieudienst Rijnmond en Omgevingsdienst Haaglanden waren nauw betrokken bij het schrijven van de Handleiding ureumboekhouding. De omgevingsdiensten in de rest van Nederland worden via landelijke overleggen op de hoogte gebracht van de nieuwe instructie, aldus Bart Wester van DCMR.

Bart Wester, vakspecialist Lucht van DCMR Milieudienst Rijnmond

‘Er moest meer duidelijkheid komen’, vindt Bart Wester, vakspecialist Lucht van DCMR Milieudienst Rijnmond en initiatiefnemer van de handleiding. ‘De regelgeving is hier en daar niet helder over wat er van de glastuinders wordt verwacht. Het gevolg is dat toezichthouders in het land de regels op verschillende manieren kunnen interpreteren. Glastuinders zijn daardoor niet verzekerd van een uniforme behandeling. Daarnaast wil een ondernemer ook weten waaraan zaken als de bedrijfsurenregistratie en de ureumboekhouding moeten voldoen. De handleiding legt dat op een praktische manier uit.’

Vrije keuze

Dat er 2 omgevingsdiensten om tafel zaten met de belangenorganisatie van de glastuinders, heeft de handleiding alleen maar beter gemaakt, aldus Wester. ‘Wij hadden een gemeenschappelijk belang om complexe regelgeving op een heel pragmatische manier in te vullen. Zo onderhandelden we bijvoorbeeld over wat redelijkerwijs van een glastuinder aan inspanning mag worden verwacht. Doordat we deze zaken met elkaar hebben afgestemd, weet de glastuinder waar de toezichthouder naar gaat vragen en welke gegevens hij moet aanleveren. De toezichthouder kan op zijn beurt redelijk snel zijn sommetjes maken en concluderen of de glastuinder voldoet aan de emissiegrenswaarden.’

Volgens Van der Valk voorkomt de handleiding dat er tussen glastuinders en toezichthouders issues ontstaan waar ‘niemand wat aan heeft’. ‘Glastuinders willen weten waar zij aan toe zijn en op de regels kunnen anticiperen. Dat is lastig als het Activiteitenbesluit ruimte biedt voor interpretatie. De handleiding geeft de ondernemers en toezichthouders houvast. Als de glastuinders de instructie volgen, kunnen zij ervan uitgaan dat zij voldoen aan de regels. Omgekeerd geldt ook dat een teler op meer discussie met een toezichthouder kan rekenen als hij van de handleiding afwijkt. Dat is uiteraard de vrije keuze van de ondernemer.’

Relatief eenvoudige boekhouding

Het ingewikkeldste onderwerp tijdens het schrijven van de handleiding was volgens Van der Valk de ureumboekhouding. ‘De partijen aan tafel hadden hier verschillende ideeën over. Omgevingsdiensten willen een zo gedetailleerd mogelijke administratie; de glastuinders zijn bang dat zo’n boekhouding enorm kan uitdijen. In die discussie hebben wij veel tijd gestoken.’

Volgens Wester moeten glastuinders meer doen dan eenmaal per jaar aantonen hoeveel ureum zij hebben gebruikt. ‘De telers moeten volgens de regels aantonen dat zij met de hoeveelheid verbruikte ureum voldoen aan de emissie-eisen. Als de boekhouding op 1 januari klopt, wil dat niet zeggen dat dit een paar maanden later nog steeds het geval is. Wij hebben afgesproken dat de glastuinders ervoor zorgen dat rookgasreinigers goed worden ingeregeld. En dat daarbij vaststaat hoeveel ureum de installatie standaard verbruikt om de NOx-emissies constant onder de emissiegrenswaarden te houden. Met deze verbruiksge­ge­vens, en de productiegegevens van de stookinstallatie, heeft de glastuinder een relatief eenvoudige ureumboekhouding. Hij kan daarmee aantonen dat hij voldoet aan de emissie-eisen en hoeft geen kostbare, continue emissiemeting uit te voeren.’

Minder uitstoot

Rookgasreinigers, NOx-metingen, ureumboekhouding, urentellers. Door alle technische aspecten van de strengere emissie-eisen voor stookinstallaties zou je bijna vergeten waar de regelgeving voor bedoeld is: het terugdringen van schadelijke stoffen. Er is veel winst te behalen, weet Wester. ‘Rond het Rijnmondgebied, en dan met name in het Westland en Lansingerland, zijn de glastuinders verantwoordelijk voor veel NOx-emissies: jaarlijks zo’n 5 Kton. Dat is vergelijkbaar met de uitstoot van de energiecentrales in het gebied. De emissies worden ook nog eens laag uitgestoten, op zo’n 15 meter hoogte, waardoor de mogelijke blootstelling groter is. Door de strengere regels wordt de bevolking straks minder blootgesteld aan NOx. Dat is natuurlijk goed nieuws.’