Samen met pluimveehouders naar een schonere lucht

In Regio FoodValley werken decentrale overheden samen met de pluimveesector om de luchtkwaliteit te verbeteren. De aanpak volgt 2 sporen. De uitstoot van fijnstof wordt tijdens de vergunningaanvraag zoveel mogelijk teruggedrongen. Tegelijkertijd wordt de ontwikkeling van emissiereducerende technieken gestimuleerd en versneld.

Regina Jansen, beleidsmedewerker van de gemeente Ede

Regio FoodValley is al jaren een hotspot met hoge concentraties fijnstof, zo blijkt bijvoorbeeld uit de Monitoringsrapportage 2017 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, een kaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en onderzoek van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. Een belangrijke lokale bron is de in de regio sterk vertegenwoordigde pluimveesector. De kooi is als huisvestingssysteem sinds 2012 verboden, waardoor de pluimveehouders zijn overgestapt op het houden van loslopende legkippen. Door het gescharrel en de stofbaden van de kippen zijn de fijnstofemissies echter toegenomen. 'Best frustrerend dat aanpassingen in het belang van dierenwelzijn negatieve gevolgen hebben voor de leefomgeving', vindt Regina Jansen, beleidsmedewerker van de gemeente Ede. 'Typisch het gevolg van de 'single issue-benadering' van veel wet- en regelgeving.'

Regio FoodValley: agrofoodcentrum van Europa

Regio FoodValley is een samenwerkingsverband van 8 Gelderse gemeenten. Samen hebben zij de ambitie om hun regio te ontwikkelen tot hét agrofoodcentrum van Europa. Regio FoodValley stimuleert de ontwikkeling van kennis en innovaties en werkt op dit gebied samen met bedrijfsleven en Wageningen University & Research. In Regio FoodValley zijn ruim 2.600 foodbedrijven en instellingen gevestigd, samen goed voor 21.700 arbeidsplaatsen.

Met name in het gebied tussen Barneveld, Ede, Renswoude en Scherpenzeel is er sprake van verhoogde concentraties fijnstof. De 4 gemeenten besloten in 2016 samen met onder meer de provincie Gelderland, diverse brancheorganisaties, onderwijs en Wageningen University & Research dat het tijd was voor een nieuwe aanpak. Samen ondertekenden zij het Manifest Gezonde Leefomgeving Veehouderij dat gericht is op 2 sporen. Een aangepast vergunningenbeleid moet zoveel mogelijk kansen benutten om de uitstoot van fijnstof terug te dringen. Tegelijkertijd wordt de ontwikkeling van emissiereducerende technieken gestimuleerd en versneld. Het manifest richt zich op alle emissies en alle agrarische sectoren. De focus ligt op dit moment echter op de uitstoot van fijnstof door de pluimveehouderijen.

Partners Manifest

Partners van het 'Manifest Gezonde Leefomgeving Veehouderij' zijn alle gemeenten in de regio, met als trekkers de gemeenten Barneveld, Ede, Renswoude en Scherpenzeel. Daarnaast doen mee: provincie Gelderland,Wageningen University & Research, LTO Noord Gelderse Vallei, de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders, het Poultry Expertisecentrum, Nederlandse Vakbond Varkenshouders regio midden, Nederlandse Melkveehouders Vakbond en het Agrarisch Jongeren Kontakt.

‘Haalbaar en betaalbaar betekent dat vergunningverleners moeten kijken of een techniek ook in bedrijfseconomische zin redelijk is om toe te passen’

In de praktijk betekent de aanpak dat pluimveehouders die een vergunning aanvragen voor een nieuwe stal of uitbreiding van een stal, extra emissiereducerende technieken moeten toepassen. Jansen: 'Bij iedere vergunningaanvraag die langskomt, bekijken we natuurlijk eerst of deze aan de wettelijke eisen voldoet. Maar we kijken ook verder: zijn er daarnaast maatregelen die haalbaar en betaalbaar kunnen worden toegepast en die helpen om de fijnstofuitstoot terug te dringen? Als die er zijn, dan vragen we om die óók toe te passen. Niet alleen in nieuwe stallen of bij uitbreidingen, maar ook in bestaande stallen. Dat is een bewuste keuze die bestuurlijk lef vraagt. Als we de bestaande stallen niet meenemen, dan lukt het namelijk niet om de uitstoot van fijnstof genoeg omlaag te krijgen. De huidige normen richten zich namelijk vooral op de toegestane belasting op woningen direct rondom het bedrijf. Vaak lukt het wel om de woningen te ontlasten met een betere verspreiding van de uitstoot, bijvoorbeeld door het plaatsen van een hogere schoorsteen. Maar de totale uitstoot wordt dan niet minder. Door de dichtheid van bedrijven blijft de concentratie fijnstof erg hoog in het gebied.'

Haalbaar en betaalbaar

De pluimveesector heeft het manifest om meerdere redenen ondertekend. Allereerst omdat er gekozen is voor een integrale aanpak. Dat wil onder meer zeggen dat er bij de emissiereducerende technieken niet alleen naar de technische, maar ook naar de economische haalbaarheid wordt gekeken. 'Haalbaar en betaalbaar' is het credo. Maatregelen die ook effect hebben in de stal zelf, en die dus het binnenklimaat voor mens en dier verbeteren, hebben de voorkeur. Bovendien mag een maatregel liever geen negatief effect hebben op andere emissies die nadelig zijn voor de leefomgeving, zoals de uitstoot van geur en ammoniak. Tot slot is afgesproken dat de pluimveehouders voor de extra reductie niet per se gebruik hoeven te maken vande systemen die op de landelijke lijst van erkende technieken staan. Zij mogen ook kiezen voor zeer innovatieve systemen. Volgens de pluimveesector is de keuze uit haalbare en betaalbare emissiereducerende technieken voor met name bestaande stallen te beperkt. Door een uitgebreid meetprotocol duurt het bovendien vaak lang lees: jaren voordat innovaties op de landelijke lijst staan.

Om de pluimveehouders te helpen bij het terugdringen van de fijnstofuitstoot uit met name hun bestaande stallen is een nieuwe organisatie opgezet: het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij (PEV). Hier worden nieuwe emissiereducerende technieken sneller lees: binnen enkele maanden en tegen lagere kosten getest en beschikbaar gemaakt. Vorig jaar konden fabrikanten zich bij het PEV melden met hun innovaties. Zij moesten daarbij aangeven hoeveel fijnstofreductie hun techniek naar verwachting oplevert en wat de verwachte kosten per dier, per jaar zijn. In totaal werden er 27 innovaties ingezonden. Een 'expertpanel' selecteerde vervolgens 10 technieken op basis van 3 criteria: het systeem moet betaalbaar zijn, toepasbaar in bestaande stallen en het binnenklimaat verbeteren.

Jan Workamp, projectmanager van het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij

Gunstige constructie

Jan Workamp, projectmanager van het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij, was niet verbaasd over het aantal ingezonden innovaties. 'Er is veel innovatiekracht in de agrarische sector aanwezig. Fabrikanten blijven ontwikkelen en denken mee met de ondernemers. Daarnaast is de geboden constructie erg aantrekkelijk. Er wordt van de fabrikanten verwacht dat zij hun apparatuur beschikbaar stellen en de innovatie gratis installeren bij de pluimveehouder. Vervolgens wordt de techniek op kosten van het project getest. Als de testresultaten goed zijn, dan zal de pluimveehouder de apparatuur ook willen aanschaffen. De leverancier heeft zijn eerste klant en ziet de innovatie mogelijk terug op landelijke lijst van erkende systemen.'

Van de 10 geselecteerde technieken - van luchtzuiverende ionisatietechnieken tot een droogfiltersysteem met recirculatie - zijn er inmiddels 9 geïnstalleerd bij pluimveehouders. Deze worden de komende maanden uitvoerig getest. De meetresultaten gaan vervolgens naar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Workamp: 'De minister moet uiteindelijk beslissen of een techniek op de landelijke lijst komt. In dat geval kunnen pluimveehouders in heel Nederland profiteren van de innovaties bij het krijgen van een vergunning en het verlagen van de fijnstofemissie uit hun stallen. Dat zou natuurlijk fantastisch zijn.'

Andere houding

Volgens Jansen is met het onderzoeken en toestaan van nieuwe technieken veel draagvlak gecreëerd bij de pluimveehouders. 'De huidige milieuregelgeving is aardig dichtgetimmerd. Alleen met een techniek uit de erkende lijst voldoen pluimveehouders aan de emissie-eisen. Maar door die starheid ontneem je hen in zekere zin hun innovatieve ondernemerschap. Als je met de pluimveehouders praat, dan merk je dat zij heel gemotiveerd zijn om de fijnstofemissie terug te dringen. Zij willen een mooi product leveren en willen niet dat hun bedrijf in de omgeving ter discussie staat. In ons project wordt bij de vergunningverlening gekeken aan welke emissiereducerende technieken de pluimveehouders écht iets hebben. En wat redelijkerwijs van hen aan inspanningen, ook in financiële zin, verwacht mag worden.'

De nieuwe aanpak vraagt een andere houding van vergunningverleners, aldus Jansen. 'Als je een aanvraag alleen beoordeelt op de technische haalbaarheid, dan vraag je je misschien af waarom een systeem niet wordt toegepast, terwijl dit op papier zo mooi lijkt. 'Haalbaar en betaalbaar' betekent dat vergunningverleners moeten kijken of een techniek ook in bedrijfseconomische zin redelijk is om toe te passen. Dat is, zeker in het begin, nog wel een zoektocht geweest. Wij hebben daarom met de vergunningverleners en een klankbordgroep uit de pluimveesector een aantal casussen behandeld. Totdat aan beide kanten helder was wat in alle redelijkheid van pluimveehouders gevraagd kon worden. Het blijft overigens wel belangrijk om kennis uit te wisselen en om de verbinding met het Praktijkcentrum Emissiereductie Veehouderij te houden.'

‘Er is veel innovatiekracht in de agrarische sector aanwezig. Fabrikanten blijven ontwikkelen en denken mee met de ondernemers’

30% minder fijnstof

De aanpak heeft inmiddels resultaat opgeleverd. In 2017 zijn in Regio FoodValley 50 vergunningen verleend voor de bouw of de uitbreiding van stallen. Gemiddeld is er op deze bedrijven 30% extra fijnstofreductie bereikt, bovenop de wettelijke eisen. Bijkomend effect is dat ook de uitstoot van geur en ammoniak uit de pluimveestallen van betrokken bedrijven is gedaald, met respectievelijk 13% en 10%.

Volgens Jansen is de reductie vooral bereikt door maatwerk en door in de vergunningen combinaties van technieken op te nemen. 'De jaarlasten van bijvoorbeeld strooiselschuiven en warmtewisselaars zijn te overzien. Deze technieken leveren economisch gezien dus iets op waardoor een pluimveehouder eerder bereid is om hierin te investeren. Door zo'n combinatie van technieken verbetert het klimaat in de stal in veel gevallen ook nog eens. Er hangt minder fijnstof en de kippen voelen zich beter. Zoiets is natuurlijk wetenschappelijk moeilijk te bewijzen, omdat het dierenwelzijn afhankelijk is van veel factoren, maar dat is wel wat veel ondernemers ons vertellen.'

Emissie-APK voor pluimveehouders

De samenwerkende partners willen de komende periode meer nieuwe emissiereducerende technieken onderzoeken. Bij voldoende aanbod willen zij een 'emissie-APK' invoeren. Dat houdt in dat ook bij ondernemers die geen vergunning aanvragen, bekeken wordt of er in de bestaande stallen extra emissiereducerende technieken kunnen worden gevraagd. Daarnaast onderzoeken de partners in hoeverre de aanpak kan worden gebruikt voor het terugdringen van bijvoorbeeld geur of ammoniakuitstoot.

Aart de Kruijf, wethouder gemeente Barneveld

Tweesporenaanpak

'De gemeente Barneveld heeft, samen met de gemeenten Ede, Renswoude en Scherpenzeel, in Regio FoodValley het voortouw genomen om de uitstoot van fijnstof te reduceren. We vinden het belangrijk om samen met andere overheden én de sector te werken aan een gezonde leefomgeving. We kozen daarbijvoor een tweesporenaanpak. In de eerste plaats door het (regionaal) invoeren van een zogenoemd interimbeleid, dat erop is gericht om bij verzoeken voor nieuwe stallen extra voorwaarden op te leggen aan zowel die nieuwe als de bestaande stallen van die veehouderij. De eerste resultaten van deze aanpak zijn hoopgevend: de totale uitstoot van fijnstof uit deze (nieuwe en bestaande) stallen is 30% lager dan zónder toepassing van dit interimbeleid. Het andere spoor van onze aanpak is een pilottraject waarbij we versneld nieuwe technieken voor fijnstofreductie in stallen testen. Als de resultaten positief zijn, dan kunnen deze beproefde technieken in de vergunningaanvraag worden opgenomen. Dat komt doordat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in dat geval bereid is om deze technieken op de landelijke lijst met erkende technieken te plaatsen. We hebben hiermee voor de korte én voor de langere termijn maatregelen getroffen die - daar ben ik van overtuigd - zullen bijdragen aan een gezondere leefomgeving.'

Aart de Kruijf, wethouder gemeente Barneveld