Europees netwerk ondersteunt implementatie Richtlijn industriële emissies

Het netwerk IMPEL helpt uitvoeringorganisaties uit Europa om de milieuregelgeving te implementeren. In oktober van dit jaar verschijnt een online handboek over de Richtlijn industriële emissies. Ook voor de Nederlandse vergunningverleners en toezichthouders verplichte kost.

Een handboek over de implementatie van de Richtlijn industriële emissies (RIE), gezamenlijke internationale inspecties en een training over de RIE is in de maak: IMPEL werkt aan zeer concrete projecten. Het belang van dit Europese netwerk wordt echter niet altijd onderkend, vindt Tony Liebregts, afdelingshoofd Innovatie en Datalab van Inspectie Leefomgeving en Transport, dat lid is van IMPEL. ‘Over uitvoeringsorganisaties die bij elkaar komen in Brussel wordt al snel gedacht dat het een praatclub is. Maar het tegendeel is waar: wij leveren geen tools en documenten op die in de bureaula verdwijnen. Veel landen in Europa hebben er voordeel van.’

Grote behoefte

Het European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law (IMPEL) is een netwerk van Europese uitvoeringsorganisaties dat door het delen van kennis de implementatie van Europese milieuregelgeving wil ondersteunen. In totaal heeft IMPEL 53 leden, waaronder 3 uit Nederland: Omgevingsdienst NL, Huis van de Nederlandse Provincies en Inspectie Leefomgeving en Transport. In 1992 is IMPEL begonnen als een informele club van een aantal Europese landen, waaronder Nederland. Inmiddels is IMPEL een volwassen netwerk waar niet alleen uitvoeringsorganisaties uit alle EU-lidstaten bij zijn aangesloten, maar ook enkele uit niet-lidstaten, zoals Noorwegen en Turkije.

‘IMPEL laat zien wat handig werkt in de praktijk’

De concrete projecten waar IMPEL aan werkt, worden voorbereid door 5 expertteams. Eenmaal per jaar, in december, bepaalt de ‘General Assemblee’ welke projecten uitgewerkt mogen worden. Een van de expertteams houdt zich bezig met projecten op het gebied van de RIE – de internationale RIE-projectgroep. Er blijkt bij de aangesloten uitvoeringsorganisaties grote behoefte te bestaan aan uitleg hoe deze Europese regelgeving moet worden geïnterpreteerd en geïmplementeerd. Dat is ook te zien aan de samenstelling van de projectgroep: van de 28 EU-lidstaten zijn er 23 vertegenwoordigd.

Kennis uitbreiden

Een van de deelnemers aan de projectgroep is Marinus Jordaan, senior beleidsadviseur van DCMR Milieudienst Rijnmond. Samen met collega’s uit andere landen verzamelt hij ‘good practices’ van hoe de RIE wordt geïmplementeerd in Europa. Jordaan: ‘Elk jaar behandelen we een aantal onderwerpen en laten we zien wat handig werkt in de praktijk. Voor bijvoorbeeld ‘openbaarheid’ hebben we aangegeven wat de toezichthouder het beste kan opnemen in zijn inspectierapport, want daar is de RIE onduidelijk over. Maar we hebben bijvoorbeeld ook een overzicht gegeven van de beste methodes om een watermonster te nemen. Overigens: we verzamelen good practices, geen best practices: we schrijven niet voor, maar bevelen aan.’

Marinus Jordaan, senior beleidsadviseur bij DCMR Milieudienst Rijnmond

Naast het verzamelen van good practices, organiseert de RIE-projectgroep gezamenlijke inspecties. Daarin lopen inspecteurs uit een aantal lidstaten mee met een collega uit een gastland. De bevindingen worden gedeeld met de inspecteurs uit alle lidstaten. Nederland was al eens gastland in 2016. ‘Samen op inspectie gaan heeft echt meerwaarde’, vindt Jordaan. ‘Je ziet hoe collega’s hun werk doen, waar zij tegenaan lopen en welke oplossingen hun organisatie hiervoor bedenkt. De inspecteur van het gastland heeft omgekeerd een mooie kans om zijn internationale collega’s om advies te vragen. Je krijgt door de gezamenlijke inspecties ook een goed beeld van hoe het toezicht in Europa is georganiseerd. Soms kom je verrassende zaken tegen. Zo was ik een keer op bezoek bij een uitvoeringsorganisatie die bedrijven liet betalen voor de inspecties. Heel bijzonder.’

IMPEL mag dan een formeel kennisnetwerk zijn, het biedt Jordaan ook volop mogelijkheden om op een informele manier zijn kennis uit te breiden. ‘Wij zien elkaar een paar keer per jaar tijdens netwerkbijeenkomsten. Tussendoor kun je heel gemakkelijk even je collega’s elders in Europa mailen over de kwesties waar jij of een van je collega’s mee zit in de dagelijkse praktijk. Meestal krijg je binnen een week een goed advies van andere leden.’

Handboek online

De good practices die de RIE-projectgroep heeft verzameld, worden samengevat in factsheets. Deze maken deel uit van het handboek over de implementatie van de RIE dat in oktober van dit jaar verschijnt. Het Engelstalige online document moet de Europese inspecteurs en vergunningverleners wegwijs maken in alles wat er door de jaren heen op de site van IMPEL is gepubliceerd over de Europese richtlijn, vertelt Rob Kramers, adviseur bij Kenniscentrum InfoMil. Hij was nauw betrokken bij de samenstelling van het handboek. ‘Sommige stukken op de site van IMPEL waren sterk verouderd en bovendien was er veel overlap. De ambtenaar die informatie zocht, kwam al snel tot de conclusie dat het een allegaartje was. Het was tijd voor een grote schoonmaak.’

Rob Kramers, adviseur bij Kenniscentrum InfoMil

Het handboek beschrijft de verschillende stappen in de uitvoering van de RIE, zowel wat betreft de vergunningverlening als de handhaving. Voor inspecties wordt gebruikgemaakt van de Environmental Inspection Cycle, een methodiek die 5 jaar geleden door de leden van IMPEL is ontwikkeld – ook hier op basis van good practices uit Nederland. Het toezicht bestaat in dit model uit 2 cycli: boven de strategische cyclus, onder de operationele. Door strategie en uitvoering voortdurend op elkaar aan te passen, kan een uitvoeringsorganisatie beter prioriteiten stellen bij het inspecteren van bedrijven die vallen onder de RIE, stelt Kramers. ‘Jarenlang waren uitvoeringsorganisaties alleen maar gefocust op de uitvoering: een bezoek goed voorbereiden, de inspectie doen en dan het rapport schrijven. Onze inspectiemethodiek stelt dat zij eerst strategisch moeten nadenken over de prioritering: welke bedrijven kunnen het beste eerst worden bezocht? Het resultaat is dat zij na afloop van de inspecties meer over ‘outcome’ dan over ‘output’ kunnen rapporteren. Niet hoeveel boetes er zijn uitgeschreven, maar welk effect de inspecties hebben gehad op de luchtkwaliteit of op het aantal klachten over stankoverlast. Zo laten zij zien wat de toegevoegde waarde van de inspecties is geweest voor de maatschappij.’

Environmental Inspection Cycle

Voordelen van interactie

Steeds meer organisaties die bij IMPEL zijn aangesloten, zijn volgens Kramers conform de inspectiemethodiek gaan werken. Zo ontstond ook de behoefte aan een vergelijkbare methodiek voor de vergunningverlening. Daaraan hebben Tony Liebregts en Rob Kramers van het ‘cross cutting’ expertteam van IMPEL de afgelopen jaren gewerkt in het project ‘Doing the right things for permitting’. Ook deze methodiek wordt in het nieuwe handboek beschreven.

‘In veel Europese landen wordt de aanvraag die als eerste binnenkomt, als eerste behandeld. Dit om te kunnen voldoen aan de wettelijke termijnen die voor de vergunningverlening staan’, zegt Liebregts. Het gevolg volgens hem: de aanvraag van het risicovolle bedrijf komt pas later aan bod. Liebregts: ‘Onze methodiek helpt uitvoeringsorganisaties om prioriteiten te stellen. Bijvoorbeeld door te kijken naar de bedrijven die de meeste risico’s veroorzaken. Maar ook door rekening te houden met economische ontwikkelingen.’

In het project is ook veel aandacht besteed aan de relatie tussen inspectie en vergunningverlening. Interactie tussen beide levert volgens Liebregts vele voordelen op. ‘Daarmee voorkom je bijvoorbeeld dat er een vergunning wordt afgegeven die niet te handhaven is. Bovendien kan informatie uit inspecties helpen om prioriteiten te stellen tijdens de vergunningverlening. Als een inspecteur meldt dat een installatie bij een bedrijf aan vervanging toe is, weet je als vergunningverlener dat er een aanvraag voor een revisievergunning aan zit te komen. Daar kun je dan in de planning van werkzaamheden rekening mee houden. Daarnaast gaat de kwaliteit van de vergunningen omhoog als een inspecteur meekijkt naar een vergunning of als de vergunningverlener en de inspecteur samen een opleveringinspectie doen van een vergunning. Organisaties moeten zich realiseren dat beide afdelingen voortdurend contact moeten hebben en veel meer van elkaars kennis gebruik moeten maken. Daardoor gaat de kwaliteit van hun werk met sprongen vooruit.’

‘Inspecteurs en vergunningverleners moeten veel meer van elkaars kennis gebruikmaken’

BBT-conclusies implementeren

In Nederland wordt al gewerkt volgens beide methodieken die door IMPEL zijn ontwikkeld, stelt Kramers. Toch is het handboek ook interessant voor de Nederlandse vergunningverleners en toezichthouders. Kramers: ‘Het handboek laat de ‘stepping stones’ zien: de stappen waaruit inspectie en vergunningverlening bestaan. Die zijn in Nederland misschien wel bekend, maar we linken ook naar referentiemateriaal, achtergrondinformatie en verschillende praktijkgevallen die staan beschreven in de factsheets. Als Nederlandse vergunningverleners en toezichthouders met specifieke vragen zitten, kunnen zij in het handboek bekijken hoe hun Europese collega’s daar over denken. Of als er nieuwe BBT-conclusies (BBT: beste beschikbare technieken, red.) worden gepubliceerd, zien zij hoe deze het beste kunnen worden opgenomen in een vergunning.’

De volgende stap is dat er trainingen worden gegeven aan de leden van IMPEL met het handboek als basis. Deze staan in het najaar van 2018 op de planning. Europese vergunningverleners en toezichthouders leren dan hoe zij de methodieken in hun dagelijkse praktijk kunnen toepassen.