Ondersteuning voor gemeenten die restafval willen terugdringen

De jaarlijkse hoeveelheid restafval die in Nederland de verbrandingsoven in gaat, moet drastisch omlaag. Dat betekent nog betere scheiding van afvalstromen. Rijkswaterstaat ondersteunt gemeenten om hun ambitieuze afvaldoelstellingen te halen. Als kennismakelaar: gemeenten kunnen vooral veel van elkaar leren.

Eerst de feiten: Nederlanders produceren jaarlijks bijna 500 kilo huishoudelijk afval per persoon. Daarvan verdwijnt bijna 200 kilo als restafval in de verbrandingsoven. Het overige afval, zo'n 59%, wordt gescheiden ingeleverd. Dan de ambitie: het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD) willen dat de jaarlijkse hoeveelheid restafval in 2020 nog maar 100 kilo per persoon is. Tegen die tijd moet 75% van het huishoudelijk afval worden gescheiden. De 3 partijen ondertekenden hiertoe het Bestuursakkoord 'Verbeteren afvalpreventie en -scheiding van huishoudelijk afval.

Addie Weenk, adviseur Afval en Circulair bij Rijkswaterstaat

Gemotiveerde bestuurders

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inzameling van huishoudelijk afval en moeten er dus voor zorgen dat de gestelde ambitie wordt gehaald. Inmiddels heeft zo’n 90% de doelstelling vastgelegd in eigen plannen of de bestuursovereenkomst ondertekend. Voor ambitieuze gemeenten is dit overigens slechts een tussenstap naar een afvalloze gemeente. ‘Die 100 kilogrens heeft voor gemotiveerde bestuurders gezorgd. Er zijn middelen vrijgemaakt en er wordt kennis ingewonnen. Je merkt dat gemeenten er helemaal voor gaan’, zegt Addie Weenk, adviseur Afval en Circulair van Rijkswaterstaat (RWS).

Met de wijze van inzamelen en voorlichting aan burgers hebben gemeenten 2 belangrijke troeven in handen om de hoeveelheid restafval terug te dringen. Maar wat is de meest effectieve inzamelmethode? En hoe kun je het gedrag van burgers zo beïnvloeden dat zij hun afval beter gaan scheiden? Met dit soort vragen kunnen de gemeenten terecht bij het programma ‘Van Afval Naar Grondstof’ (VANG) - Huishoudelijk afval dat door de 3 eerder genoemde partijen is opgezet. RWS en NVRD voeren het programma uit en functioneren als kennismakelaar: het idee is dat de gemeenten vooral veel van elkaar kunnen leren.

VANG Buitenshuis

Naast VANG Huishoudelijk afval voert Rijkswaterstaat ook VANG Buitenshuis uit. Dit programma richt zich op het afval afkomstig van winkels en kantoren. Beide VANG-programma’s maken sinds september 2016 deel uit van het Rijksbreed programma Circulaire Economie.

Omgekeerd inzamelen

Rijkswaterstaat en de NVRD voeren elk jaar de Benchmark Huishoudelijk Afval uit. Daarin worden door intensieve kennisuitwisseling de effecten van beleid van inmiddels 200 gemeenten en inzamelbedrijven met elkaar vergeleken. De benchmark kijkt naar onder meer de kwaliteit van de afvalstromen en naar de beheerskosten. Deze worden gekoppeld aan factoren als:

  • het type woningen in een gemeente (meer hoogbouw betekent meer restafval);
  • de wijze van inzamelen;
  • de middelen die gemeenten daarbij inzetten.

Gemeenten kunnen ook op de site van het VANG-programma zien hoe het terugdringen van restafval er in Nederland voor staat. Een kaartje laat per gemeente zien wat de jaarlijkse hoeveelheid restafval is per inwoner. Opvallend: in 2016 bleven 39 gemeenten al binnen de VANG-doelstelling van 100 kilo. In 8 gemeenten was de hoeveelheid restafval per inwoner zelfs minder dan 50 kilo.

‘Die 100 kilogrens heeft voor gemotiveerde bestuurders gezorgd. Je merkt dat gemeenten er helemaal voor gaan’

De meest succesvolle gemeenten werken volgens Weenk met een systeem van tariefdifferentiatie (diftar). Daarbij moeten burgers betalen voor de hoeveelheid restafval die zij aanbieden. Weenk: ‘De financiële prikkel zorgt ervoor dat er gemiddeld 40% minder restafval wordt aangeboden. De gemeentelijke beheerskosten vallen gemiddeld 17% lager uit. Zo’n diftar-systeem wordt vaak gecombineerd met omgekeerd inzamelen: de gemaksprikkel. Een grote restafvalcontainer bij huis maakt het te gemakkelijk om niet te scheiden. Sommige gemeenten draaien de inzameling daarom om. Voor de afvalstromen die zij willen scheiden, voorzien zij burgers van verschillende bakken of ondergrondse containers dichtbij huis. Het weinige restafval dat overblijft, moeten burgers wegbrengen naar een ondergrondse voorziening.’

Bronscheiding of nascheiding?

Van de jaarlijkse 500 kilo afval per persoon bestaat 50 kilo uit plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons (PMD). Zo’n 45% daarvan wordt gescheiden ingezameld in aparte bakken of zakken en ingeleverd via statiegeld. Gemeenten houden zich sinds 2015 bezig met de inzameling en recycling van het verpakkingsmateriaal (zie kader).

Ook op dit terrein voorziet RWS de gemeenten van kennis. Een vraag die bij veel bestuurders leeft, is welk systeem effectiever is: bronscheiding of nascheiding? Bij bronscheiding wordt PMD huis-aan-huis of via verzamelcontainers ingezameld. Bij nascheiding is geen sprake meer van gescheiden inzameling van PMD; dat mag in de restafvalcontainer. PMD wordt achteraf met behulp van sorteermachines uit het restafval gehaald. Nascheiding wil overigens niet zeggen dat bronscheiding helemaal niet meer nodig is: als papier bijvoorbeeld in contact is geweest met restafval, is hergebruik niet meer mogelijk.

Raamovereenkomst Verpakkingen

Producenten en importeurs zijn verantwoordelijk voor de preventie, de inzameling en het hergebruik van gebruikte verpakkingsmaterialen. Dit staat in de Europese richtlijn verpakking en verpakkingsafval en het Besluit beheer verpakkingen, papier en karton. Het Afvalfonds Verpakkingen heeft deze verplichting overgenomen. Gemeenten voeren de taak sinds 2015 uit en krijgen hiervoor een vergoeding van het Afvalfonds. De afspraken zijn vastgelegd in de Raamovereenkomst Verpakkingen.

Nascheiding biedt voordelen, maar staat volgens Weenk nog in de kinderschoenen. ‘Een gemeente als Leeuwarden werkt al met nascheiding. De ‘sortibak’ daar is bedoeld voor PMD, maar het beetje restafval mag er ook in. De grotere gemeenten kiezen ervoor om allebei te doen. In Amsterdam staan containers voor PMD in de stad, maar de gemeente heeft ook net een eigen nascheidingsinstallatie in gebruik genomen die het verpakkingsmateriaal uit het restafval haalt. Het grote voordeel van nascheiding is natuurlijk meer gemak voor gemeenten en burgers. Maar je moet bij nascheiding nog wel aantonen dat de herwonnen materialen goed recyclebaar zijn. Dat is nog niet zo eenvoudig, als deze in contact zijn geweest met het restafval. Bovendien moet je nascheiding uitleggen aan het publiek, zeker als je de burgers eerder hebt gevraagd om PMD gescheiden aan te leveren.’

Om gemeenten te helpen in hun keuze heeft RWS Optiekaarten en Argumentenkaarten laten ontwikkelen voor zowel bronscheiding als nascheiding. Daarop staan de voor- en nadelen – kijkend naar milieu, uitvoering, financiën en principes - van beide typen inzameling. Daarnaast worden er workshops voor gemeenten georganiseerd over de kosten en effecten van bron- en nascheiding.  

Chipszak met metaallaagje

Behalve door de wijze van inzamelen, kunnen gemeenten ook via communicatie naar burgers invloed uitoefenen op de kwaliteit van de ingezamelde PMD. Volgens onderzoek van het Learning Center Kunststof Verpakkingsafval (LCKV, zie kader) is de ingezamelde hoeveelheid PMD van huishoudens de laatste jaren weliswaar sterk toegenomen, maar is de kwaliteit van het afval achteruitgegaan. Weenk: ‘Er zit meer ongewenst materiaal tussen, zoals plastic speelgoed en landbouwfolie. Bovendien is het kunststof afval vaak vervuild, bijvoorbeeld omdat er nog vloeistof in een verpakking zit. Dan is er ook nog een stroom verpakkingsmateriaal die nog niet te recyclen valt. Het bekendste voorbeeld is chipszak die gecoat is met een metaallaagje, vanuit recyclingperspectief feitelijk een ontwerpfout. Die moet jammer genoeg nog de verbrandingsoven in.’

Learning Center Kunststof Verpakkingsafval

Om kennis te ontwikkelen op het gebied van het inzamelen van kunststof verpakkingsafval hebben het ministerie van IenW, de VNG en het Afvalfonds, het Learning Center Kunststof Verpakkingsafval (LCKV) opgezet. Het centrum adviseert gemeenten over de inzameling en verwerking van kunststof verpakkingsafval, geeft trainingen en doet onderzoek. RWS voert het LCKV uit.

Heldere communicatie richting de burger is cruciaal. Volgens het LCKV is een van de redenen voor de dalende kwaliteit van het afval dat burgers niet altijd weten of snappen welke materialen onder PMD vallen. Het learning center geeft tips aan gemeenten – ‘Spreek consequent over ‘verpakkingen’ en ‘Houd de wel/niet-lijst eenvoudig’ – en laat praktijkvoorbeelden zien van gemeenten die succesvol zijn in het inzamelen van PMD. Een online stappenplan helpt gemeenten om een gedegen communicatiestrategie te ontwikkelen.