Sloewarmte: succesvol energieproject in haven van Vlissingen

Onder de naam Sloewarmte wordt in de haven van Vlissingen industriële restwarmte succesvol hergebruikt. Het resultaat: minder verbruik van fossiele brandstoffen en reductie van CO2. Momenteel maken 2 bedrijven hiervan gebruik. Het potentieel aan restwarmte is echter enorm. Wie volgt?

Zo’n 10 jaar geleden ontstond in Vlissingen het idee om industriële restwarmte beter te benutten. Martens Cleaning, een bedrijf dat zich richt op scheepsreiniging en afvalverwerking, wilde de restwarmte – in de vorm van warm water – van olieraffinaderij Zeeland Refinery gebruiken voor de eigen energievoorziening. Een schot in de roos. De olieraffinaderij had er wel oren naar en ook het naastgelegen COVRA, gespecialiseerd in de opslag en verwerking van radioactief afval, was al snel geïnteresseerd in het project.

Green Deal

Om de restwarmtekoppeling te realiseren en te exploiteren richtte Evides Industriewater, samen met Martens Cleaning en havenbedrijf North Sea Port in 2014 een apart bedrijf op: Sloewarmte BV. Dankzij de Green Deal die de provincie Zeeland en Seaports in 2011 sloten met het ministerie van Economische Zaken (EZ) was er geld beschikbaar. Het ministerie van EZ droeg €1,5 miljoen bij en de provincie Zeeland €200.000. De overige investeringen werden gedaan door Sloewarmte BV, Zeeland RefineryMartens Cleaning en COVRA. Totale investering: €3 miljoen. Evides Industriewater leverde de technische knowhow en was verantwoordelijk voor de realisatie. Ontwikkelingsmaatschappij Impuls Zeeland trad in het beginstadium op als projectontwikkelaar.

Een van de subsidieverleners was de provincie Zeeland. Die zag dat met het benutten van restwarmte niet alleen energie, maar ook CO2 kon worden bespaard. ‘Daar waren wij 10 jaar geleden ook al mee bezig’ verklaart Leo Leynse, senior-beleidsmedewerker van de provincie Zeeland. Volgens hem was er ook een economische reden waarom de provincie in het project stapte. ‘Als je bedrijven aan elkaar koppelt, veranker je ze in onze regio. Dat is gunstig voor de vitaliteit van het gebied. Daarnaast was Sloewarmte na het project WarmCO2 in de Kanaalzone in Zeeuws-Vlaanderen een 2e project waarbij restwarmte succesvol kon worden benut. Beide hebben inmiddels een voorbeeldwerking naar de rest van de provincie en daarbuiten.’

Technische uitdaging

Sinds begin 2016 is de restwarmtekoppeling in gebruik. Restwarmte afkomstig van het productieproces van Zeeland Refinery, gaat via een warmtewisselaar naar het watercircuit van Sloewarmte. Het water wordt opgewarmd tot 140 °C en door een pijpleiding van 2,7 km getransporteerd naar Martens. Een warmtewisselaar zet het hete water om in energie waarmee afgewerkte olie wordt verwerkt tot schone stookolie. Het naastgelegen COVRA zet de restwarmte in voor het beheersen van het binnenklimaat in de opslagruimtes en op kantoor. Het tot 70 °C afgekoelde water wordt vervolgens via een pijpleiding weer naar Zeeland Refinery getransporteerd. Evides beheert de pijpleidingen met de benodigde installaties en levert de warmtestroom met de juiste eindtemperatuur bij de 2 afnemers.

‘Zeeland Refinery heeft een veelvoud aan thermisch vermogen beschikbaar’

Hoewel het principe op papier eenvoudig klinkt, zaten er ook haken en ogen aan de realisering van de restwarmtekoppeling, weet Piet de Boks, manager Sloewarmte van Evides Industriewater. ‘Er moest fors worden geïnvesteerd in een warmtenet. De grote, geïsoleerde leidingen gaan weliswaar tientallen jaren mee, maar dat is niet de business case waar bedrijven naar kijken. Die denken daarvoor maximaal 5 jaar vooruit en op zo’n termijn kun je de investeringen niet terugverdienen. Daarnaast was er een technische uitdaging: er zijn maar 2 afnemers van warmte. Als beiden geen warmte nodig hebben, wat doe je dan? Het is een circulair systeem en als de warmte niet kan worden afgezet en het systeem stilstaat, komt er door de temperatuurwisselingen te veel spanning op het leidingwerk te staan. Daar hadden wij eerst geen rekening mee gehouden. Uiteindelijk hebben we dit opgelost door een koelelement te plaatsen bij een van de afnemers zodat het systeem als zodanig blijft functioneren en het warme water blijft stromen.

Martens en COVRA zijn van gasgestookte boilers overgestapt op de duurzame restwarmte. Op jaarbasis kunnen zij hiermee een energiebesparing realiseren die gelijk is aan het verbruik van circa 1.500 huishoudens. De CO2-reductie bedraagt jaarlijks ongeveer 4.300 ton. Overigens is de leveringszekerheid niet 100% gegarandeerd. ‘De 2 bedrijven moeten helaas nog wel hun oude installaties aanhouden’, zegt De Boks. ‘Zeeland Refinery zal af en toe een shutdown hebben, bijvoorbeeld bij groot onderhoud, en dan geen warmte kunnen leveren. In dat geval zetten de afnemers hun gasgestookte boilers in.’

Meer klandizie

Momenteel wordt maar een klein deel van het warmteoverschot van Zeeland Refinery hergebruikt. Volgens De Boks moet er meer te doen zijn met het potentieel. ‘In het huidige warmtekoppelingsproject is er sprake van 2.500 kW thermisch vermogen. Daarvan wordt nog niet de helft benut. Zeeland Refinery heeft echter een veelvoud aan thermisch vermogen beschikbaar. De kortste klap is om bedrijven in de directe omgeving aan te sluiten op het bestaande warmtenet. Er is genoeg capaciteit voor meerdere bedrijven, zonder dat hiervoor grote nieuwe investeringen nodig zijn. Daarnaast is het mogelijk om het warme water over langere afstanden te transporteren en te gebruiken voor de verwarming van bijvoorbeeld woningen. Nu nieuwbouwwijken gasloos gebouwd moeten worden, is restwarmte een interessant alternatief.’

Leynse is het daarmee eens. ‘Door het Klimaatakkoord van Parijs komt het verder benutten van restwarmte weer nadrukkelijk in de belangstelling te staan’, zegt hij. Reden voor de provincie Zeeland om samen met Vlaamse partners het INTERREG-project DOEN (Duurzame Ontwikkeling van Energie Neutraliteit) op te zetten. Leynse: ‘Onderzocht wordt of de bestaande restwarmteprojecten uitgebreid kunnen worden en of er nieuwe plannen mogelijk zijn. Het transporteren van warmte uit het Sloegebied en de Kanaalzone naar omliggende dorpen was 10 jaar geleden nog niet dicht te rekenen. Maar door het stijgen van de prijzen van fossiele brandstoffen en de beprijzing van CO2 is de business case straks mogelijk net wat sneller sluitend te maken.’