Houvast voor bedrijfsleven en bevoegd gezag

Bedrijven die Zeer Zorgwekkende Stoffen uitstoten of lozen, rapporteerden tot voor kort naar eigen inzicht over hun vermijdings- en reductieprogramma. Een nieuw format geeft het bedrijfsleven meer houvast: hiermee wordt automatisch alle, door het bevoegd gezag benodigde, informatie beschreven. Vergunningverleners kunnen het format gebruiken om (meer) kritische vragen te stellen.

Bedrijven die Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) uitstoten of lozen, zijn volgens het Activiteitenbesluit verplicht om elke 5 jaar over hun vermijdings- en reductieprogramma te rapporteren. In hun verslag moeten zij laten zien wat er is en kan worden gedaan om de ZZS te vervangen door minder schadelijke alternatieven en hoe de emissies van de ZZS kunnen worden geminimaliseerd. In de praktijk blijken bedrijven hun rapportages op verschillende manieren op te stellen. Logisch, want tot voor kort was er geen handleiding om hun inspanningen te beschrijven en conclusies te trekken omtrent het vermijden en reduceren van ZZS.

Werkbaar houden

Om bedrijven meer houvast te geven staat sinds begin dit jaar een gids online hoe zij een vermijdings- en reductieprogramma kunnen opstellen. Onderdelen hiervan zijn een format en een uitgebreid stappenplan. Het is de bedoeling dat bedrijven hierdoor voortaan completere en beter onderbouwde rapportages kunnen opstellen. Door het doorlopen van verschillende stappen wordt automatisch alle door het bevoegd gezag benodigde informatie over het  vermijdings- en reductieprogramma beschreven.

Cees van Houwelingen, operations regulatory services leader bij Dow Benelux.

De nieuwe aanpak is door een brede samenwerking tot stand gekomen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Kenniscentrum InfoMil hebben gezamenlijk aan de gids, het format en het stappenplan gewerkt. De inhoud is daarbij meerdere keren voorgelegd aan een werkgroep met vertegenwoordigers van bedrijfsleven, omgevingsdiensten en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Een van de deelnemers was Dow Benelux. Volgens operations regulatory services leader Cees van Houwelingen deed Dow mee vanuit de branchevereniging van de chemische industrie in Nederland VNCI om een vinger aan de pols te houden. ‘Wij staan achter de intenties van het ZZS-beleid. Ook Dow is ervan overtuigd dat de impact van haar producten en processen op mens en milieu gereduceerd moet worden. Tegelijkertijd heeft het beleid grote gevolgen voor ons bedrijf en de hele chemische sector. Dan is het goed dat ons de mogelijkheid wordt geboden om mee praten over zo’n nieuw format. Ons doel was vooral om de aanpak logisch en werkbaar te houden. Dat is, denk ik, gelukt.’

Goede job

Het nieuwe format betekent niettemin een verzwaring van de administratieve last, stelt Van Houwelingen. ‘Het format laat zien welke zaken een bedrijf in zijn rapportage moet adresseren en dwingt om keuzes beter te onderbouwen. Kon je voorheen gemakkelijk stellen ‘het alternatief is er nog niet’, nu moet je als bedrijf duidelijker uitleggen waarom je met bepaalde stoffen werkt en waarom alternatieve stoffen niet bruikbaar zijn.’

Dow heeft altijd ‘een goede job’ gedaan om de milieu-impact vanuit haar operaties terug te dringen en aan alle vergunningvoorschriften te voldoen, vindt Van Houwelingen. Hij verwacht dan ook niet dat zijn bedrijf veel meer ZZS kan minimaliseren door met het nieuwe format te werken. ‘In de afgelopen 20 jaar hebben wij meer dan 90% van onze emissies gereduceerd. Nagenoeg alle puntbronnen zijn geëlimineerd en fugitieve (onbedoelde, red.) emissies zijn met een ‘lekbeheersprogramma’ aangepakt. Er is geen laaghangend fruit meer en het vraagt dus een extra inspanning om verdere reducties te realiseren.’

‘Het format dwingt ons om keuzes beter te onderbouwen’

Scherper monitoren

Vooral ‘aan de vermijdingskant’ dwingt het format bedrijven ertoe ‘om inspanningen beter vast te leggen’, aldus Van Houwelingen. ‘Wij zullen actiever op zoek moeten gaan naar alternatieven voor sommige stoffen. Maar ik zeg er meteen bij: de mogelijkheden zijn beperkt. Sommige stoffen zijn nu eenmaal moeilijk te vervangen. Als je nafta kraakt, krijg je benzeen en als je polyurethaan moet maken, blijft ethyleenoxide een essentiële grondstof. Het format gaat niet helpen om daarvoor alternatieven te vinden. Ik zie wel mogelijkheden als het gaat om hulpstoffen. Mochten wij een nieuwe hulpstof willen introduceren die op de lijst met ZZS blijkt te staan, dan is het zaak om te kijken wat de functie is van zo’n stof en of deze wellicht door een minder schadelijk alternatief kan worden ingevuld.’

Het RIVM heeft lange lijsten met ZZS en potentiële ZZS samengesteld. Het aantal ZZS waarvoor Dow een vermijdings- en reductieprogramma moet opstellen, is natuurlijk vele malen kleiner. Toch hebben die lange (en groeiende) lijsten van het RIVM volgens Van Houwelingen wel degelijk consequenties voor Dow. ‘Wij weten inmiddels wel welke stoffen er normaal gesproken vrijkomen in ons productieproces. Maar wij hebben soms te maken met andere dan normale omstandigheden. Daardoor kunnen er incidenteel andere stoffen ontstaan. De lijst van ZZS is inmiddels zo groot dat ook die incidentele stoffen daarop kunnen voorkomen. Om incidentele emissies te voorkomen, zullen wij scherper moeten zijn in het monitoren van onze emissies van ZZS. Het laatste wat je als bedrijf wilt is dat je door een ander op zo’n lozing gewezen wordt. Dat bewustzijn dwingt ons om te achterhalen waar zo’n stof vandaan komt en hoe wij het ontstaan ervan kunnen voorkomen. Met de resultaten van de scherpere monitoring kunnen wij vervolgens ook het format voeden. Groeiende lijsten betekenen dus groeiende inspanningen.’

Ronald van Ieperen, programmaleider Omgevingsvergunningen van DCMR

Verder kijken

Namens de zogenaamde BRZO-Omgevingsdiensten heeft Ronald van Ieperen, programmaleider Omgevingsvergunningen van DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR), het format en het stappenplan beoordeeld. Hij ziet de nieuwe aanpak als een ‘mooi instrument om het vermijdings- en reductieprogramma bij bedrijven naar een hoger niveau te tillen’. ‘Het format brengt meer structuur in het onderzoek dat de industrie elke 5 jaar moet doen naar het vervangen en minimaliseren van ZZS. Ik verwacht dat veel bedrijven hierdoor meer inzicht zullen krijgen in de schadelijke stoffen die zij lozen of uitstoten. Bovendien moeten zij nu verder kijken dan hun eigen ideeën. Voorheen hadden bedrijven de mogelijkheid om naar hun gewenste oplossing ‘toe te schrijven’. Nu vraagt het format om een inventarisatie van alle mogelijke technische oplossingen om ZZS te reduceren of te vermijden. Daarmee dwing je bedrijven om breder en objectiever naar de mogelijkheden te kijken.’

Het bevoegd gezag krijgt op zijn beurt ‘meer houvast’ om kritische vragen te stellen, vindt Van Ieperen. ‘Neem de substitutie van ZZS. Dat is altijd een ondergeschoven kindje geweest in de onderzoeken van de bedrijven. Er werd al snel gesproken over emissiereductie. Best begrijpelijk, want substitutie vraagt veel research, tijd en de nodige investeringen. Je had als vergunningverlener meestal ook de neiging om mee te gaan in de redenatie van het bedrijf. Het format vraagt nu expliciet wat het bedrijf doet aan substitutie. Als dit niet is ingevuld, roept dat onmiddellijk vragen op bij het bevoegd gezag. Geeft het bedrijf een onderbouwing waarom substitutie niet mogelijk is, dan kun je die op haar merites beoordelen. Sommige stoffen zijn essentieel voor het productieproces. Ik denk dat je daar als vergunningverlener ook niet al te moeilijk over moet doen. Maar het is wel belangrijk dat je je niet te snel laat afschepen als het bedrijf, zonder verdere onderbouwing, zegt dat er geen alternatief is.’

Net als Van Houwelingen denkt Van Ieperen dat bedrijven hun emissies steeds beter in de gaten moeten houden. ‘De ZZS-lijst is inmiddels enorm. Het probleem is alleen dat voor de meeste stoffen nog niet is vastgesteld hoe de monstername moet plaatsvinden en hoe de monsters moeten worden geanalyseerd. Wij denken bij DCMR ook na over de meetnormen en over hoe bedrijven de aanwezigheid van stoffen blijvend kunnen monitoren. Maar dat is een lastig verhaal. Het lijkt mij goed om daar samen met de industrie een oplossing voor te bedenken – beiden vanuit onze eigen verantwoordelijkheden.’