Een tussenstand halverwege de looptijd Bodemconvenant 2016 – 2020

De Midterm Review geeft een tussenstand van het in 2015 afgesloten bodemconvenant. De aanpak van bodemverontreinigingen en de decentralisatie van het bodembeleid liggen op koers. De rol die bodem en ondergrond kunnen spelen in maatschappelijke opgaven wordt steeds belangrijker.

Portret Michael Gadella
Michael Gadella, senioradviseur Bodem+ van Rijkswaterstaat

Het bodembeleid in Nederland wordt met het oog op de aanstaande Omgevingswet steeds verder gedecentraliseerd. Dat betekent niet dat de behoefte aan een landelijk beeld verdwenen is. ‘De decentrale overheden krijgen meer en meer bevoegdheden, maar de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft vanuit de systeemverantwoordelijkheid wel behoefte aan inzicht in de voortgang van de bodemsaneringen’, zegt Michael Gadella, senioradviseur Bodem+ van Rijkswaterstaat. De partijen die het Convenant Bodem en Ondergrond (2016 – 2020) hebben afgesloten, voorzien volgens hem in die behoefte. Gadella: ‘Door nauw samen te werken, zijn 41 verschillende organisaties in staat om een duidelijk beeld te schetsen van de voortgang van de bodemsaneringen die vanwege de risico’s met spoed moeten worden aangepakt.’

Groter dan gedacht

Een van de afspraken van het bodemconvenant was om halverwege de looptijd een tussenbalans op te maken. Eind vorig jaar verscheen daarom de Midterm Review (MTR) met diverse tussenstanden, onder meer van de aanpak van historische bodemverontreinigingen, de decentralisatie van het bodembeleid en de rol die de bodem en ondergrond spelen in maatschappelijke opgaven.

Monitoringsverslag 2018

Naast de Midterm Review wordt een ‘Monitoringsverslag’ gemaakt. Dit geeft een jaarlijkse tussenstand van de aanpak van verontreinigingen met onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie of grondwaterkwaliteit. Het Monitoringsverslag wordt gebruikt om prioriteiten te stellen en is bovendien input voor de Midterm Review.

Een belangrijk onderdeel van het bodemconvenant is de aanpak van verontreinigingen met onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie of grondwaterkwaliteit. Deze spoedlocaties moeten volgens afspraak uiterlijk in 2020 zijn beheerst. De MTR concludeert dat de convenantspartijen op schema zitten. Van de 1383 spoedlocaties aan de start van het convenant is een groot deel afgerond of in uitvoering. Er moeten nog 210 in uitvoering worden gebracht en voor 26 moet nog een planning worden gemaakt voor de aanpak na 2020.

‘Het kaartje van Nederland in de Midterm Review kleurt steeds groener’, zegt Gadella. ‘Wel vraagt de aanpak van locaties met een grondwaterverontreiniging – in totaal zo’n 500 – ook in de toekomst nog aandacht. Op veel van deze locaties is sprake van complexe problematiek, omdat verschillende verontreinigingen in het grondwater zijn vermengd. Die vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Daarbij wordt er gekeken of het grondwater aan de grenzen van zo’n gebied voldoende wordt beschermd en of de verontreiniging stabiel blijft.’

‘Sommige verontreinigingen zullen ‘eeuwigdurend’ in de gaten gehouden moeten worden’

Tegelijkertijd is volgens Gadella gedurende de convenantsperiode ontdekt dat het probleem van de ‘diffuse bodemverontreinigingen’ met lood veel groter is dan gedacht. Daarnaast zijn er verontreinigingen met nieuwe bedreigende stoffen als PFAS bij gekomen. Gadella: ‘De aanpak van deze oude en nieuwe diffuus verspreide verontreinigingen heeft ook na 2020 onze aandacht en zorg nodig. Overheden zullen dus weer afspraken moeten maken voor de periode na 2020. Sommige verontreinigingen zullen zelfs ‘eeuwigdurend’ in de gaten gehouden moeten worden.’

Onvoldoende aan tafel

Ook de decentralisatie van het bodembeleid ligt volgens de MTR op schema. Met de komst van de Omgevingswet zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Zij hebben al taken gekregen rond bodembeheer; daar komen nog bevoegdheden op het gebied van bodeminformatiebeheer en saneringen bij. De provincies hebben de zorg voor de grondwaterkwaliteit.

Hoewel de overdracht van taken volgens planning verloopt, moet er volgens Gadella nog wel ‘een stap worden gezet in het integraal denken over de leefomgeving’. ‘Er bestaan inmiddels regionaal en lokaal vrij goed functionerende ‘bodemcommunities’ met veel bodemkennis, onderlinge contacten en samenwerkingen. Daar is men overtuigd van de kansen die de bodem en ondergrond bieden voor de klimaatadaptatie, klimaattransitie, circulaire economie en de behoefte aan schoon water. Bovendien zit hier ook de kennis van de grenzen die de bodem en ondergrond stellen. Maar de MTR signaleert terecht dat deze bodemnetwerken nog te weinig aanschuiven aan de tafels waar deze maatschappelijke opgaven worden besproken. Het uitvoeringsprogramma zal de komende 2 jaar dan ook veel meer concreet moeten maken wat bodem en ondergrond kunnen bijdragen aan de ambities op het gebied van klimaat en energie. Die opdracht is misschien moeilijker in cijfers uit te drukken, maar niet minder belangrijk dan het opruimen van de verontreinigingen.’

Door bodemlagen boren

In de MTR staan dan ook de 2 belangrijke motto’s van het bodemconvenant: ‘van saneren naar beheren’ en ‘beschermen en benutten’. Als er grip is op de bodemverontreiniging, kunnen bodem en ondergrond worden benut voor de opgaven op het gebied van klimaat en energie. Tegelijk brengt benutten allerlei maatschappelijke dilemma’s met zich mee. Gadella: ‘Bij benutten spelen vragen als: welke gevolgen heeft de toepassing  van aardwarmte voor de kwaliteit van het grondwater? Wat zijn de effecten als je voor warmtekoudeopslag door bodemlagen heen gaat boren? Benutten is belangrijk, maar brengen wij daarmee geen onherstelbare schade toe aan het bodemsysteem? De afweging tussen beschermen en benutten moet steeds lokaal gemaakt worden.’

Daarvoor is het nodig dat er lokaal en regionaal voldoende kennis aanwezig is van de mogelijkheden en beperkingen van bodem en ondergrond. Om daar in te voorzien zijn er volgens de MTR de afgelopen periode zo’n 40 kennisprojecten opgestart. Deze vallen onder de kennisagenda die elke 2 jaar wordt geüpdatet. Gadella: ‘De kennisprojecten hebben allemaal raakvlakken met de maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat. Dat geeft ook aan dat de convenantspartijen naar een meer integrale aanpak van de leefomgeving willen. Het blijft overigens een uitdaging om de kennis op de juiste plek op het juiste moment te krijgen. Bij kennisprojecten zijn vaak individuele overheden betrokken, maar het blijkt lastig om de opgedane kennis bij niet-betrokken overheden te krijgen. Daarom moet de kennisagenda nog meer door Rijk, provincies, gemeenten, omgevingsdiensten, waterschappen, kennisinstellingen en bedrijfsleven gezamenlijk worden bepaald. Recentelijk zijn al ‘dialogen’ opgestart over bijvoorbeeld klimaat, nieuwe bedreigende stoffen en de Omgevingswet. Ook de rest van de convenantsperiode moeten partijen op deze manier kennis ontwikkelen en verspreiden.’