Eemsdelta vanuit de lucht

Ruimtelijke inrichting: natuurlijke dynamiek als uitgangspunt

Rondetafelgesprek

Om de unieke waarden van het Waddengebied ook in de toekomst te behouden, is een samenhangende, breed gedragen visie voor de ruimtelijke inrichting noodzakelijk. Daarin moeten veel verschillende belangen – ecologie, economie, waterveiligheid, etc. – samenkomen én tegen elkaar worden afgewogen. Hoe doe je dit? In gesprek met Matthijs Buurman (provincie Groningen), Rick Timmerman (Rijkswaterstaat) en Xandrie Borgmans (Deltaprogramma Waddengebied).

Hoe zijn jullie betrokken bij de ruimtelijke planvorming voor het Waddengebied?

Matthijs Buurman

Matthijs Buurman: ‘Vanuit de provincie Groningen ben ik verantwoordelijk voor kustontwikkelingsprojecten. Daarbij proberen we altijd meerdere functies te combineren. Denk aan waterveiligheid, ecologie en landbouw. We zijn hier in 2014-2015 mee begonnen in de Eems-Dollard. Sindsdien zijn we steeds een stapje verder gegaan, waarbij we altijd kijken hoe we de diverse functies zo goed mogelijk kunnen combineren.’

Rick Timmerman: ‘Rijkswaterstaat is op verschillende manieren betrokken bij de ruimtelijke planvorming in het Waddengebied. We zijn bijvoorbeeld beheerder van de Waddenzee als Natura 2000-gebied en als vaarweg. Daarnaast zijn we als uitvoeringsdienst van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat betrokken bij de ‘Agenda voor het Waddengebied 2050’ en het bijbehorende uitvoeringsprogramma.’

Xandrie Borgmans: ‘Het Deltaprogramma Waddengebied richt zich op behoud van waterveiligheid in een natuurlijk Waddengebied en kijkt hierbij naar de verre toekomst. We zijn zijdelings betrokken bij de ruimtelijke planvorming in het Waddengebied. Denk aan ruimte voor de dijken en hoe je die dijken gaat vormgeven. Ook bij het uitvoeringsprogramma van de Agenda voor het Waddengebied 2050 zijn we betrokken, bijvoorbeeld bij de inrichting van de kust.’

Dronefoto Ameland, Martijn Harleman, ministerie van IenW

Wat maakt het Waddengebied volgens jullie uniek?

Buurman: ‘De dynamiek. De Waddenzee is een heel mooi dynamisch systeem. Formeel stopt die dynamiek óp de dijk, terwijl dat in de praktijk natuurlijk niet zo is. Daar hebben we veel last van bij kustontwikkeling, bijvoorbeeld bij landbouw en natuur. Neem het Lauwersmeer: de boeren langs het meer hebben zoet water nodig en de natuur ook, een gezamenlijk belang dus. Een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water is belangrijk voor het Waddengebied. En dat is precies wat het Waddengebied uniek maakt en mijn werk zo interessant.’

Xandrie Borgmans

Borgmans: ‘Dat heb je goed verwoord, Matthijs. Zelf zou ik eraan willen toevoegen dat het mooie van het Waddengebied de natúúrlijke dynamiek is. Het hele spel van de elementen maakt het gebied uniek.’

Timmerman: ‘Het unieke aan het Waddengebied is onder andere de Waddenzee. Die probeert ons iets te vertellen: “Ik ben dynamisch en ga m’n eigen gang”. Ik ben het eens met Xandrie en Matthijs en vind dat we de dynamiek van de Waddenzee als uitgangspunt moeten nemen bij onze ruimtelijke planvorming. Bijvoorbeeld door te kijken naar zoet-zoutovergangen en door adaptiever en innovatiever om te gaan met bijvoorbeeld het bevaarbaar houden van de veerverbindingen. Ik denk overigens dat alle partijen in het Waddengebied er grosso modo hetzelfde instaan. Tegelijkertijd is de praktijk weerbarstig en blijkt het lastig om stappen te zetten.’

Wad bij Ameland

Hoe ziet jullie ideaalbeeld voor het Waddengebied in 2050 eruit?

Rick Timmerman

Timmerman: ‘In 2050 zou het Waddengebied klimaat- en ecologisch robuust moeten zijn, in balans met de dynamiek van het gebied.’

Buurman: ‘Dat vind ik ook. Mijn ideaalbeeld voor 2050 is dat de dynamiek in het gebied is hersteld. Daar werken we met de Agenda voor het Waddengebied 2050 ook naartoe; de bijbehorende sectorale regelgeving is al in gang gezet. Maar we weten ook dat de bijbehorende processen – met partijen die hun eigen belang vooropstellen – hardnekkig en complex zijn. Toch ben ik ervan overtuigd dat het kan. In de Eems-Dollard is het bijvoorbeeld gelukt om de natuurlijke dynamiek een plek te geven. En bij het Lauwersmeer zijn landbouw- en natuurorganisaties samen aan tafel gegaan om het over de ruimtelijke inrichting te hebben. Samen hebben ze een stip op de horizon gezet, waar alle andere partijen – ook bestuurders – zich achter hebben geschaard.’

Borgmans: ‘Daar sluit ik me bij aan. We moeten, ook gezien de klimaatverandering, meer gebruikmaken van de natuurlijke systemen in het Waddengebied. Niet steeds maar weer ingrijpen om het gebied naar onze hand te zetten.’

Welke principes zouden leidend moeten zijn bij ruimtelijke keuzes in het Waddengebied?

Borgmans: ‘Eigenlijk zou je al je ruimtelijke keuzes moeten laten aansluiten bij de natuurlijke dynamiek van het gebied. En dat wat niet bijdraagt, zouden we moeten afbouwen.’

Buurman: ‘Daar ben ik het mee eens: de ruimtelijke ontwikkeling en dus ook de keuzes zouden moeten aansluiten op de dynamiek van het Waddengebied.’

Timmerman: ‘Dit betekent ook opgavegericht werken: met elkaar het systeem en de dynamiek verkennen en erkennen, en op basis daarvan keuzes maken. Dat is niet makkelijk. Het voorbeeld van het Lauwersmeer dat Matthijs noemde, vind ik in dat opzicht mooi en hoopgevend.’

Strand op Terschelling

Welke rol kan mer spelen in de visievorming voor de ruimtelijke ordening in het Waddengebied?

Buurman: ‘Mer kan hier heel goed handen en voeten aan geven. Doordat je met mer effecten van ruimtelijke plannen in kaart brengt, is het een heel geschikt instrument om de “winst” voor natuur, economie, waterveiligheid et cetera inzichtelijk te maken.’

Timmerman: ‘Het is een mooi instrument in de gereedschapskist van de ruimtelijke ordening. Wij doorlopen nu bijvoorbeeld een mer-traject in het kader van een Natura-2000-beheerplan. Best een spannend proces, maar het geeft ook veel inzicht.’

Borgmans: ‘Ja, met mer kun je je ruimtelijke plannen vooraf – in de planvormingsfase – toetsen op effecten op de omgeving. Daar kun je best mee experimenteren; je kunt een mer zo breed en zo smal insteken als je wil.’

Buurman: ‘Wat ik in de praktijk wel zie, is dat er te weinig met elkaar wordt opgetrokken. We zouden mer’en veel meer kunnen combineren. Er wordt in onze regio nu bijvoorbeeld een mer opgesteld voor een Natura-2000-beheerplan, voor een kabel bij Schiermonnikoog en een dijkversterking. Allemaal projecten die vlak bij elkaar liggen. Dat moet toch beter kunnen.’

Borgmans: ‘Dat is inderdaad een uitdaging. Hier speelt capaciteit denk ik ook een rol in. Men wil misschien wel, maar er speelt zo veel dat het lastig is om zaken te combineren. Integraliteit is niet altijd makkelijker en het leidt ook niet altijd tot minder werk.’

Buurman: ‘Dat herken ik. Er komen in ons gebied veel trajecten bij dezelfde mensen terecht.’

Timmerman: ‘Laat ik dan afsluiten met de oproep om te proberen hier met z’n allen toch meer samen in op te trekken.’