Symbiotisch Paviljoen geeft ruimte aan innovatie en samenwerking

Innovatie

Wie over de A58 rijdt en langs verzorgingsplaats Kloosters komt, ziet in het groen een bijzonder gebouw opduiken. Dit is het Symbiotisch Bouwen Paviljoen: een ruimte om in te werken en te vergaderen met een uniek uiterlijk en een visionair verhaal.

De officiële opening was op 19 maart 2026 en omgevingsmanager Lilian Marcolina van Rijkswaterstaat en architect Lydia Fraaie raken er niet over uitgepraat. Ze zijn trots op het Symbiotisch Bouwen Paviljoen, een plek waar overheden, kennisinstellingen en marktpartijen kunnen samenwerken aan innovatie. De natuur fungeert als inspiratiebron. Het paviljoen is een van de proeftuinen van InnovA58, een unieke testomgeving (LivingLab) van Rijkswaterstaat voor duurzame innovaties in bouw en infra. ‘Toen de wegverbreding van de A58 tussen Tilburg en Eindhoven en Sint-Annabosch en Galder werd gepauzeerd vanwege het stikstofvraagstuk, bleef de innovatieambitie van InnovA58 behouden’, legt Lilian Marcolina uit. ‘We mochten doorgaan met innoveren om bij te dragen aan de 2030- en 2050-doelstellingen voor duurzaamheid en klimaat en dat doen we inmiddels al zo’n vijf jaar.’

Lilian Marcolina, omgevingsmanager Rijkswaterstaat

Ruimte voor verbeelding

InnovA58 telt verschillende fysieke proeftuinen: van innovatiestroken met nieuwe asfaltmengsels tot experimenten met waterzuivering, biodiversiteit en fijnstofreductie. Maar een plek om samen te komen met marktpartijen, kennisinstellingen en de lokale gemeenschap ontbrak in de beginfase. ‘Als je met veel partners aan innovatieprojecten werkt, heb je ook een ontvangstplek nodig’, aldus Marcolina. ‘En toen dachten we: als we innovatief willen zijn, moet die plek zelf óók innovatief zijn.’ Marcolina vertelt dat Rijkswaterstaat zes uitgangspunten voor het gebouw formuleerde: duurzaam, innovatief, modulair, demontabel, functioneel en zo veel mogelijk zelfvoorzienend. ‘En dat was het’, zegt ze. ‘Vorm- en materiaalkeuze lieten we vrij, zodat we innovatieve ideeën van partners niet zouden beteugelen We schotelden (markt)partijen dus geen dichtgetimmerd programma van eisen voor, maar gaven alle ruimte voor verbeelding.’

Lydia Fraaie, architect Fraai Architecten

Symbiotisch bouwen

De uitvraag klonk architect Lydia Fraaije van Fraai Architecten als muziek in de oren. Samen met collega-architecten Jasper de Wert (Topos architecten), Mart Bremer (LIAG), Jacco Kwaaitaal en studenten van de TU Eindhoven pakte ze de handschoen op. Het team kwam tot een ontwerp waarin symbiose centraal staat. ‘Een benadering waarin natuur, techniek en organisatie niet los van elkaar worden gezien, maar fungeren als één samenhangend systeem’, legt ze uit. ‘In de natuur zijn de meeste relaties wederkerig, niet gebaseerd op uitsluiting of concurrentie. Dit principe hebben we toegepast op zowel het ontwerp- als het bouwproces.’ Fraaije beseft dat dit verdere uitleg behoeft. ‘Symbiotisch bouwen is meer dan duurzaam bouwen. Het gaat om het creëren van wederkerige relaties: een gebouw dat niet alleen zo min mogelijk schade toebrengt, maar ook actief bijdraagt aan zijn omgeving. En een samenwerking waarin partijen elkaars talent versterken in plaats van met elkaar concurreren. Net als in natuurlijke ecosystemen draait het om balans, uitwisseling en gezamenlijke meerwaarde. Eigenlijk draait alles om samenwerken: in de techniek, in de natuur en in het bouwproces. Het één helpt het ander vooruit.’

Een earthship met lokale historie

Die samenwerking, waarin verschillende architecten, studenten en specialisten zoals een filosoof op basis van gelijkwaardigheid samen een ontwerp maakten, was meteen de eerste innovatie op het gebied van symbiotisch samenwerken. Het resultaat van deze samenwerking mag er zijn. ‘Het paviljoen is een zogeheten earthship-constructie’, vertelt Fraaije enthousiast. ‘We tillen het landschap als het ware op door een aarden wal te maken, waardoor het paviljoen eronder in het talud komt te liggen. Dit talud fungeert als natuurlijke geluidsbuffer richting de snelweg, heeft interne klimaatvoordelen en geeft geborgenheid.’ In het ontwerp loopt niet alleen natuur als rode draad, ook de lokale historie heeft een prominente plek. Fraaije: ‘Op het terrein is een zogeheten kule aangelegd: een verdiept gelegen plek in het landschap, geïnspireerd op historische ontmoetingsplaatsen in bosrijke gebieden waar vroeger recht werd gesproken of samenkomsten plaatsvonden. De kule fungeert nu als buitenruimte voor bijeenkomsten en dialoog. Een eigentijdse vertaling van een eeuwenoude traditie.’

"Wie het paviljoen gebruikt, levert meteen een kleine bijdrage aan de natuur"

Relatie met omgeving

Het hoofddoel is laten zien dat bouwen mét een plus voor de natuur heel goed mogelijk is. De relatie met de lokale omgeving speelt daarbij ook een belangrijke rol, vult Marcolina aan. ‘Inwoners van Oirschot hebben in maart 2026 een kijkje mogen nemen in het paviljoen. Ze konden het bijzondere gebouw zelf ervaren. En kunnen er in de toekomst hopelijk ook gebruik van maken.’ Wie het paviljoen gebruikt, levert bovendien meteen een kleine bijdrage aan de natuur. Bezoekers kunnen bijvoorbeeld een stekje of plant meenemen voor de winterkas.

Beroepsonderwijs denkt mee

Het paviljoen heeft een klimaatgevel die in de winter warmte opvangt en in de zomer natuurlijke ventilatie mogelijk maakt, met planten die zorgen voor een gezonde binnenatmosfeer. Een biomeiler genereert warmte via compostering. En een helofytenfilter zuivert afvalwater op locatie en voegt het gezuiverd weer toe aan de bodem. Bijzonder is ook de samenwerking met studenten van ROC Yuverta, vindt Fraaije. ‘Zij helpen ons met het realiseren van een waterkringloop, waarbij de wc wordt doorgespoeld met regenwater van het dak. Zo verbinden we innovatie met het regionale beroepsonderwijs en betrekken we jong talent bij de ontwikkeling van duurzame oplossingen.’ De samenwerking met onderwijsinstellingen komt voort uit een overeenkomst die Rijkswaterstaat recent heeft gesloten met Eindhoven Engine (TU/e, TNO, Fontys). Hierin is afgesproken dat Rijkswaterstaat met assets bijdraagt aan de wateropgave in Brainport.

Ontwerpuitgangspunten Symbiotisch Paviljoen

Bouw van het paviljoen

De kule in aanbouw

Gevelbekleding

Het paviljoen met ochtendrijp

Symbiotisch Paviljoen op de dag van de officële opening

Demontabel en herbruikbaar

Ongeveer 95 procent van de toegepaste materialen is hergebruikt (lokaal ‘geoogst’) of biobased. Het paviljoen staat er in principe tien jaar en is demontabel. Dit betekent dat de meeste onderdelen na afloop opnieuw kunnen worden ingezet. Van constructie tot gevelonderdelen: alles is zo veel mogelijk toegepast om later weer te kunnen losmaken. ‘Zo kunnen materialen hun waarde behouden en hoeven ze niet als afval te eindigen’, vertelt Marcolina. ‘Ze vormen een grondstof voor een volgende toepassing. Er is ook gewerkt met een materialenpaspoort, waarin herkomst, toepassing en toekomstige herbruikbaarheid worden vastgelegd.’

Organisch proces

Terug naar het proces. Het ontwerpen en bouwen was bijzonder en organisch. Wat begon als een breed collectief van zo’n twintig betrokkenen, kreeg tijdens de uitwerking van het ontwerp een vaste vorm. Een kleinere kern richtte de Coöperatie Symbiotisch Bouwen op. Met deze coöperatie, die naast Fraaije bestaat uit Jasper de Wert van Topos, Mark van Kasteren van bouwbedrijf Th. Van Kasteren en Jacco Kwaaitaal van Mindfruit, sloot Rijkswaterstaat een samenwerkingsovereenkomst voor de bouw van het paviljoen.

"De samenstelling van de coöperatie is geen toeval, maar het resultaat van het proces zelf"

Nieuw leven voor de kippenschuur

De samenstelling van de coöperatie is geen toeval, maar het resultaat van het proces zelf, benadrukt Fraaije. ‘Via het lokale netwerk kwam een oude kippenschuur in beeld die gesloopt zou worden. De materialen en de hele constructie bleken naadloos te passen in het ontwerp. Mark van Kasteren ontmantelde de schuur zorgvuldig en zag hoe de onderdelen een nieuw leven kregen in het paviljoen. Gaandeweg sloot hij zich aan bij het collectief en later bij de coöperatie. Het laat zien hoe symbiotisch bouwen in de praktijk werkt: lokaal vakmanschap, reststromen en ontwerpambitie versterken elkaar.’ De coöperatie wil die manier van werken voortzetten en staat open voor nieuwe, lokale samenwerkingen. Het paviljoen fungeert daarbij als ontmoetingsplek en als katalysator voor krachtenbundeling. Essentieel voor Fraaije was dat in het hele proces de natuur expliciet een stem heeft gehad. ‘We hebben letterlijk een plant aan tafel gezet. Niet als symbolisch gebaar, maar als bewuste reminder dat elke ontwerp- en bouwkeuze gevolgen heeft voor bodem, water en biodiversiteit. In eerste instantie vertegenwoordigde alleen ik die stem, later namen we die verantwoordelijkheid als team op ons.’

Waarde toekennen

De manier van ontwerpen van Fraaije en haar collectief raakt aan een bredere vraag: hoe waardeer je wat een gebouw teruggeeft aan zijn omgeving? ‘Een materialenpaspoort maakt dan wel inzichtelijk welke grondstoffen zijn gebruikt en hoe ze opnieuw kunnen worden ingezet. Maar het paviljoen levert meer op dan alleen herbruikbare materialen’, beredeneert Marcolina. ‘Het draagt bij aan waterberging, biodiversiteit en klimaatregulatie; diensten die niet altijd direct in euro’s zijn uit te drukken, maar wel degelijk maatschappelijke waarde vertegenwoordigen. Dat maakt het paviljoen tot een bijzondere plek om te werken en te vergaderen, anders dan in een doorsnee gebouw.’